ΨΑΛΜΟΙ 68
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Εἰς τὸ τέλος· ὑπὲρ τῶν ἀλλοιωθησομένων· τῷ Δαυΐδ.
1Voor muziekbegeleiding van David. Een psalm; een lied. God staat op: zijn vijanden stuiven uiteen, Zijn haters vluchten voor Hem weg!
2ΣΩΣΟΝ με, ὁ Θεός, ὅτι εἰσήλθοσαν ὕδατα ἕως ψυχῆς μου.
2Zoals rook spoorloos verdwijnt, En was wegsmelt in vuur, Zo vergaan de bozen Voor het aanschijn van God.
3ἐνεπάγην εἰς ἰλὺν βυθοῦ, καὶ οὐκ ἔστιν ὑπόστασις· ἦλθον εἰς τὰ βάθη τῆς θαλάσσης καὶ καταιγὶς κατεπόντισέ με.
3Maar de rechtvaardigen mogen juichen en jubelen, Zich verheugen en verblijden in God!
4ἐκοπίασα κράζων, ἐβραγχίασεν ὁ λάρυγξ μου, ἐξέλιπον οἱ ὀφθαλμοί μου ἀπὸ τοῦ ἐλπίζειν με ἐπὶ τὸν Θεόν μου.
4Zingt God ter ere, en verheerlijkt zijn Naam, Jubelt voor Hem, die door de woestijn kwam gereden; Verheugt u in Jahweh, En juicht voor zijn aanschijn!
5ἐπληθύνθησαν ὑπὲρ τὰς τρίχας τῆς κεφαλῆς μου οἱ μισοῦντές με δωρεάν, ἐκραταιώθησαν οἱ ἐχθροί μου οἱ ἐκδιώκοντές με ἀδίκως· ἃ οὐχ ἥρπαζον, τότε ἀπετίννυον.
5Hij is de Vader der wezen, de Beschermer der weduwen, Hij is God in zijn heilige tent;
6ὁ Θεός, σὺ ἔγνως τὴν ἀφροσύνην μου καὶ αἱ πλημμέλειαί μου ἀπὸ σοῦ οὐκ ἀπεκρύβησαν.
6God, die de eenzame zwervers naar huis geleidde, Maar de weerspannigen bleven in de wildernis achter!
7μὴ αἰσχυνθείησαν ἐπ᾿ ἐμὲ οἱ ὑπομένοντές σε, Κύριε, Κύριε τῶν δυνάμεων, μὴ ἐντραπείησαν ἐπ᾿ ἐμὲ οἱ ζητοῦντές σε, ὁ Θεὸς τοῦ Ἰσραήλ,
7Bij uw uittocht, o God, aan de spits van uw volk, En bij uw opmars door de woestijn:
8ὅτι ἕνεκά σου ὑπήνεγκα ὀνειδισμόν, ἐκάλυψεν ἐντροπὴ τὸ πρόσωπόν μου.
8Beefde de aarde, dropen de hemelen voor het aanschijn van God, Rilde de Sinaï voor het aanschijn van Jahweh, Israëls God!
9ἀπηλλοτριωμένος ἐγενήθην τοῖς ἀδελφοῖς μου καὶ ξένος τοῖς υἱοῖς τῆς μητρός μου,
9Een regen van gaven hebt Gij uitgestort, o God, En toen uw erfdeel uitgeput was, hebt Gij het gesterkt;
10ὅτι ὁ ζῆλος τοῦ οἴκου σου κατέφαγέ με, καὶ οἱ ὀνειδισμοὶ τῶν ὀνειδιζόντων σε ἐπέπεσον ἐπ᾿ ἐμέ.
10Uw beesten lieten zich onder hen neer, De uitgehongerden hebt Gij, o God, in uw goedheid verkwikt.
11καὶ συνεκάλυψα ἐν νηστείᾳ τὴν ψυχήν μου, καὶ ἐγενήθη εἰς ὀνειδισμοὺς ἐμοί·
11Toen heeft de Heer zijn belofte vervuld, En een leger van vrouwen kwam het blijde verkonden:
12καὶ ἐθέμην τὸ ἔνδυμά μου σάκκον, καὶ ἐγενόμην αὐτοῖς εἰς παραβολήν.
12Machtige koningen slaan met haast op de vlucht, En het schone geslacht verdeelt de buit!
13κατ᾿ ἐμοῦ ἠδολέσχουν οἱ καθήμενοι ἐν πύλαις, καὶ εἰς ἐμὲ ἔψαλλον οἱ πίνοντες οἶνον.
13Nu moogt gij gaan rusten in uw beemden: Zilverwit als de vleugels der duif, met goud overtrokken;
14ἐγὼ δὲ τῇ προσευχῇ μου πρὸς σέ, Κύριε· καιρὸς εὐδοκίας, ὁ Θεός, ἐν τῷ πλήθει τοῦ ἐλέους σου· ἐπάκουσόν μου, ἐν ἀληθείᾳ τῆς σωτηρίας σου.
14Want de Almachtige heeft de koningen verstrooid, Zoals het sneeuwt op de Salmon!
15σῶσόν με ἀπὸ πηλοῦ, ἵνα μὴ ἐμπαγῶ· ρυσθείην ἐκ τῶν μισούντων με καὶ ἐκ τῶν βαθέων τῶν ὑδάτων.
15Bergen van Basjan, godengebergte met uw spitsen:
16μή με καταποντισάτω καταιγὶς ὕδατος, μηδὲ καταπιέτω με βυθός, μηδὲ συσχέτω ἐπ᾿ ἐμὲ φρέαρ τὸ στόμα αὐτοῦ.
16Bergen en toppen, waarom kijkt gij scheel Naar de berg, die God tot woonplaats verkoos, En waar Jahweh eeuwig zal wonen?
17εἰσάκουσόν μου, Κύριε, ὅτι χρηστὸν τὸ ἔλεός σου· κατὰ τὸ πλῆθος τῶν οἰκτιρμῶν σου ἐπίβλεψον ἐπ᾿ ἐμέ.
17Op de wagens van God: tienduizenden, duizend maal duizend, Trokt Gij van de Sinaï uw heiligdom binnen, o Heer;
18μὴ ἀποστρέψῃς τὸ πρόσωπόν σου ἀπὸ τοῦ παιδός σου, ὅτι θλίβομαι, ταχὺ ἐπάκουσόν μου.
18Gij hebt de hoogte beklommen, De gevangenen meegevoerd, Van de mensen geschenken aanvaard, Van weerspannigen zelfs, voor de woonplaats van God!
19πρόσχες τῇ ψυχῇ μου καὶ λύτρωσαι αὐτήν, ἕνεκα τῶν ἐχθρῶν μου ρῦσαί με.
19Geloofd zij de Heer, die ons altijd beschermt, de God van ons heil;
20σὺ γὰρ γινώσκεις τὸν ὀνειδισμόν μου καὶ τὴν αἰσχύνην μου καὶ τὴν ἐντροπήν μου· ἐναντίον σου πάντες οἱ θλίβοντές με.
20Gij, die ons redt; Jahweh, die nog uitwegen kent van de dood;
21ὀνειδισμὸν προσεδόκησεν ἡ ψυχή μου καὶ ταλαιπωρίαν, καὶ ὑπέμεινα συλλυπούμενον, καὶ οὐχ ὑπῆρξε, καὶ παρακαλοῦντας, καὶ οὐχ εὗρον.
21God, die de kop van zijn vijand verplettert, De harde schedel van hem, die in ongerechtigheid leeft!
22καὶ ἔδωκαν εἰς τὸ βρῶμά μου χολὴν καὶ εἰς τὴν δίψαν μου ἐπότισάν με ὄξος.
22De Heer heeft gezegd: Ik sleep ze uit Basjan, Haal ze naar boven uit de diepten der zee,
23γενηθήτω ἡ τράπεζα αὐτῶν ἐνώπιον αὐτῶν εἰς παγίδα καὶ εἰς ἀνταπόδοσιν καὶ εἰς σκάνδαλον.
23Opdat gij in hun bloed met uw voeten kunt plassen, Ook de tong van uw honden haar deel van de vijanden krijgt!
24σκοτισθήτωσαν οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτῶν τοῦ μὴ βλέπειν, καὶ τὸν νῶτον αὐτῶν διαπαντὸς σύγκαμψον.
24Ziet, daar nadert de feeststoet van God, De feeststoet naar het heiligdom van mijn God en mijn Koning!
25ἔκχεον ἐπ᾿ αὐτοὺς τὴν ὀργήν σου, καὶ ὁ θυμὸς τῆς ὀργῆς σου καταλάβοι αὐτούς.
25Voorop gaan de zangers, de harpspelers volgen;
26γενηθήτω ἡ ἔπαυλις αὐτῶν ἠρημωμένη, καὶ ἐν τοῖς σκηνώμασιν αὐτῶν μὴ ἔστω ὁ κατοικῶν·
26In het midden de maagden met pauken: in koren loven ze God. Dan de heersers, uit Israëls bronnen ontsprongen:
27ὅτι ὃν σὺ ἐπάταξας, αὐτοὶ κατεδίωξαν, καὶ ἐπὶ τὸ ἄλγος τῶν τραυμάτων μου προσέθηκαν.
27Benjamin de jongste vooraan, Met de vorsten van Juda in machtige drommen, En de vorsten van Zabulon en Neftali’s vorsten!
28πρόσθες ἀνομίαν ἐπὶ τῇ ἀνομίᾳ αὐτῶν, καὶ μὴ εἰσελθέτωσαν ἐν δικαιοσύνῃ σου·
28Toon nu uw almacht, o God, die Gij ons hebt betuigd,
29ἐξαλειφθήτωσαν ἐκ βίβλου ζώντων καὶ μετὰ δικαίων μὴ γραφήτωσαν.
29Van uw heiligdom uit voor Jerusalems heil! Laat koningen U geschenken brengen:
30πτωχὸς καὶ ἀλγῶν εἰμι ἐγώ· ἡ σωτηρία σου, ὁ Θεός, ἀντιλάβοιτό μου.
30Jonge schapen, kudden stieren en kalveren uit Patros; Met staven van zilver en goud Als vrijwillige schatting der volken;
31αἰνέσω τὸ ὄνομα τοῦ Θεοῦ μου μετ᾿ ᾠδῆς, μεγαλυνῶ αὐτὸν ἐν αἰνέσει,
31Laat Egypte zijn vette gaven brengen, Koesj zijn handen vullen voor God!
32καὶ ἀρέσει τῷ Θεῷ ὑπὲρ μόσχον νέον κέρατα ἐκφέροντα καὶ ὁπλάς.
32Koninkrijken der aarde, zingt ter ere van God, En stemt een loflied aan voor den Heer:
33ἰδέτωσαν πτωχοὶ καὶ εὐφρανθήτωσαν· ἐκζητήσατε τὸν Θεόν, καὶ ζήσεται ἡ ψυχὴ ὑμῶν,
33Die de hoogste hemel der hemelen bestijgt, En met zijn stem de machtige donder doet rollen!
34ὅτι εἰσήκουσε τῶν πενήτων ὁ Κύριος καὶ τοὺς πεπεδημένους αὐτοῦ οὐκ ἐξουδένωσεν.
34Geeft glorie aan Israëls God, Wiens macht en kracht in de wolken reikt!
35αἰνεσάτωσαν αὐτὸν οἱ οὐρανοὶ καὶ ἡ γῆ, θάλασσα καὶ πάντα τὰ ἕρποντα ἐν αὐτῇ.
35Ontzaglijk is God in zijn heilige woning: Hij, Israëls God, Die kracht en sterkte geeft aan het volk: Gezegend zij God!
36ὅτι ὁ Θεὸς σώσει τὴν Σιών, καὶ οἰκοδομηθήσονται αἱ πόλεις τῆς Ἰουδαίας, καὶ κατοικήσουσιν ἐκεῖ καὶ κληρονομήσουσιν αὐτήν·
no verse 36 in this text
37καὶ τὸ σπέρμα τῶν δούλων αὐτοῦ καθέξουσιν αὐτήν, καὶ οἱ ἀγαπῶντες τὸ ὄνομά σου κατασκηνώσουσιν ἐν αὐτῇ.
no verse 37 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.