ΨΑΛΜΟΙ 10
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Εἰς τὸ τέλος· ψαλμὸς τῷ Δαυΐδ. ΕΠΙ τῷ Κυρίῳ πέποιθα· πῶς ἐρεῖτε τῇ ψυχῇ μου· μεταναστεύου ἐπὶ τὰ ὄρη ὡς στρουθίον;
1Waarom, Jahweh, zoudt Gij veraf blijven staan, U verbergen in tijden van nood?
2ὅτι ἰδοὺ οἱ ἁμαρτωλοὶ ἐνέτειναν τόξον, ἡτοίμασαν βέλη εἰς φαρέτραν τοῦ κατατοξεῦσαι ἐν σκοτομήνῃ τοὺς εὐθεῖς τῇ καρδίᾳ.
2Waarom zou de arme zich ergeren aan de trots van den boze, In de listen worden verstrikt, die hij spon?
3ὅτι ἃ σὺ κατηρτίσω, αὐτοὶ καθεῖλον· ὁ δὲ δίκαιος τί ἐποίησε;
3Zie, de goddeloze pocht op zijn lusten, De woekeraar prijst zich gelukkig,
4Κύριος ἐν ναῷ ἁγίῳ αὐτοῦ· Κύριος ἐν οὐρανῷ ὁ θρόνος αὐτοῦ. οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτοῦ εἰς τὸν πένητα ἀποβλέπουσι, τὰ βλέφαρα αὐτοῦ ἐξετάζει τοὺς υἱοὺς τῶν ἀνθρώπων.
4De zondaar trekt honend zijn neus op voor Jahweh, En denkt maar: “Hij straft niet; er is geen God!”
5Κύριος ἐξετάζει τὸν δίκαιον καὶ τὸν ἀσεβῆ, ὁ δὲ ἀγαπῶν τὴν ἀδικίαν μισεῖ τὴν ἑαυτοῦ ψυχήν.
5Zijn wandel is altijd krom uw wetten gooit hij ver van zich af, En wie hem weerstaat, fluit hij uit;
6ἐπιβρέξει ἐπὶ ἁμαρτωλοὺς παγίδας, πῦρ καὶ θεῖον καὶ πνεῦμα καταιγίδος ἡ μερὶς τοῦ ποτηρίου αὐτῶν.
6Hij zegt bij zich zelf: “Nooit zal ik wankelen; Van geslacht tot geslacht treft mij ongeluk noch vloek!”
7ὅτι δίκαιος Κύριος, καὶ δικαιοσύνας ἠγάπησεν, εὐθύτητας εἶδε τὸ πρόσωπον αὐτοῦ.
7Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong.
no verse 8 in this text
8Hij legt zich in hinderlaag achter de heggen, Om heimelijk de onschuld te moorden. Zijn ogen begluren den zwakke,
no verse 9 in this text
9Hij ligt op de loer als een leeuw in zijn hol; Hij besluipt den ongelukkige, om hem te bespringen, Grijpt hem vast, en sleept hem weg in zijn net.
no verse 10 in this text
10Dan slaat hij hem neer, kromt zich over hem heen, En de ongelukkige valt in zijn klauwen.
no verse 11 in this text
11En hij zegt bij zich zelf: “God vergeet het! Hij verbergt zijn gelaat; Hij ziet het niet eens!”
no verse 12 in this text
12Sta op dan Jahweh! Steek uw hand uit, o God; Vergeet de ongelukkigen niet!
no verse 13 in this text
13Waarom zou de booswicht God blijven honen, Bij zichzelf blijven zeggen: “Toch vergeldt Gij het niet!”
no verse 14 in this text
14Gij ziet toch het leed en de ellende; Gij blikt er op neer, om ze te wreken! De zwakke verlaat zich op U, En een wees hebt Gij altijd geholpen!
no verse 15 in this text
15Verbrijzel de arm van zondaar en boze; Vergeld hem zijn misdaad, laat ze niet ongestraft.
no verse 16 in this text
16Jahweh, wees Koning voor eeuwig en immer; Weg met de heidenen, weg uit zijn land!
no verse 17 in this text
17Hoor het smachtend verlangen der armen, o Jahweh; Luister naar de roep van hun hart:
no verse 18 in this text
18Om recht te verschaffen aan wees en verdrukte, Zodat ze niemand ter wereld meer vrezen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.