Psaumes
Chapter 88
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psaumes 88

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Cantique. Psaume des fils de Koré. Au chef des chantres. Pour chanter sur la flûte. Cantique d’Héman, l’Ezrachite.
1Een lied; een psalm van de zonen van Kore. Voor muziekbegeleiding; met de fluit. Een klaag- en leerdicht van Heman, den Ezrachiet. Jahweh, mijn God, overdag roep ik om hulp, En schrei des nachts voor uw aanschijn.
2Éternel, Dieu de mon salut! Je crie jour et nuit devant toi.
2Laat mijn gebed voor uw aangezicht dringen; Luister toch naar mijn klagen.
3Que ma prière parvienne en ta présence! Prête l’oreille à mes supplications!
3Want mijn ziel is zat van ellende, Mijn leven het rijk der doden nabij;
4Car mon âme est rassasiée de maux, Et ma vie s’approche du séjour des morts.
4Men telt mij bij hen, die ten grave dalen, Ik ben als een man, aan het eind van zijn kracht.
5Je suis mis au rang de ceux qui descendent dans la fosse, Je suis comme un homme qui n’a plus de force.
5Ik ben als de doden verstoten, Als lijken, die in het graf zijn gelegd: Aan wie Gij niet langer meer denkt, En die aan uw hand zijn onttrokken.
6Je suis étendu parmi les morts, Semblable à ceux qui sont tués et couchés dans le sépulcre, A ceux dont tu n’as plus le souvenir, Et qui sont séparés de ta main.
6Gij hebt mij in de diepe grafkuil gestort, In duisternis en in de schaduw des doods;
7Tu m’as jeté dans une fosse profonde, Dans les ténèbres, dans les abîmes.
7Uw toorn drukt zwaar op mij neer, Al uw golven slaan over mij heen.
8Ta fureur s’appesantit sur moi, Et tu m’accables de tous tes flots. — Pause.
8Gij hebt mijn vrienden van mij vervreemd, En ze van mij laten walgen; Ik zit in de knel, en kan er niet uit,
9Tu as éloigné de moi mes amis, Tu m’as rendu pour eux un objet d’horreur; Je suis enfermé et je ne puis sortir.
9Mijn oog versmacht van ellende. De ganse dag, Jahweh, roep ik U aan, En strek mijn handen naar U uit:
10Mes yeux se consument dans la souffrance; Je t’invoque tous les jours, ô Éternel! J’étends vers toi les mains.
10Of doet Gij aan de doden nog wonderen, Staan de schimmen soms op, om U te loven?
11Est-ce pour les morts que tu fais des miracles? Les morts se lèvent-ils pour te louer? — Pause.
11Zal men in het graf van uw goedheid gewagen, Van uw trouw in de afgrond;
12Parle-t-on de ta bonté dans le sépulcre, De ta fidélité dans l’abîme?
12Zal men in de duisternis uw wondermacht kennen, Uw gerechtigheid in het land van vergeten?
13Tes prodiges sont-ils connus dans les ténèbres, Et ta justice dans la terre de l’oubli?
13Daarom, Jahweh, roep ik U aan, Treedt iedere morgen mijn bede U tegen.
14O Éternel! J’implore ton secours, Et le matin ma prière s’élève à toi.
14Waarom zoudt Gij mij dan verstoten, o Jahweh, En mij uw aanschijn verbergen?
15Pourquoi, Éternel, repousses-tu mon âme? Pourquoi me caches-tu ta face?
15Van jongsaf ben ik in ellende en zorgen gedompeld, Ik ben radeloos onder de last van uw plagen;
16Je suis malheureux et moribond dès ma jeunesse, Je suis chargé de tes terreurs, je suis troublé.
16Uw gramschap slaat over mij heen, Uw verschrikkingen overstelpen mij.
17Tes fureurs passent sur moi, Tes terreurs m’anéantissent;
17Als water omringen ze mij iedere dag, En sluiten mij helemaal in;
18Elles m’environnent tout le jour comme des eaux, Elles m’enveloppent toutes à la fois.
18Gij hebt vrienden en makkers van mij vervreemd, En mijn bekenden door mijn ellende.
19Tu as éloigné de moi amis et compagnons; Mes intimes ont disparu.
no verse 19 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.