Psaumes
Chapter 78
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psaumes 78

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Cantique d’Asaph. Mon peuple, écoute mes instructions! Prêtez l’oreille aux paroles de ma bouche!
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
2J’ouvre la bouche par des sentences, Je publie la sagesse des temps anciens.
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
3Ce que nous avons entendu, ce que nous savons, Ce que nos pères nous ont raconté,
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
4Nous ne le cacherons point à leurs enfants; Nous dirons à la génération future les louanges de l’Éternel, Et sa puissance, et les prodiges qu’il a opérés.
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
5Il a établi un témoignage en Jacob, Il a mis une loi en Israël, Et il a ordonné à nos pères de l’enseigner à leurs enfants,
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
6Pour qu’elle fût connue de la génération future, Des enfants qui naîtraient, Et que, devenus grands, ils en parlassent à leurs enfants,
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
7Afin qu’ils missent en Dieu leur confiance, Qu’ils n’oubliassent pas les œuvres de Dieu, Et qu’ils observassent ses commandements,
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
8Afin qu’ils ne fussent pas, comme leurs pères, Une race indocile et rebelle, Une race dont le cœur n’était pas ferme, Et dont l’esprit n’était pas fidèle à Dieu.
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
9Les fils d’Éphraïm, armés et tirant de l’arc, Tournèrent le dos le jour du combat.
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
10Ils ne gardèrent point l’alliance de Dieu, Et ils refusèrent de marcher selon sa loi.
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
11Ils mirent en oubli ses œuvres, Ses merveilles qu’il leur avait fait voir.
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
12Devant leurs pères il avait fait des prodiges, Au pays d’Égypte, dans les campagnes de Tsoan.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
13Il fendit la mer et leur ouvrit un passage, Il fit dresser les eaux comme une muraille.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
14Il les conduisit le jour par la nuée, Et toute la nuit par un feu éclatant.
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
15Il fendit des rochers dans le désert, Et il donna à boire comme des flots abondants;
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
16Du rocher il fit jaillir des sources, Et couler des eaux comme des fleuves.
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
17Mais ils continuèrent à pécher contre lui, A se révolter contre le Très-Haut dans le désert.
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
18Ils tentèrent Dieu dans leur cœur, En demandant de la nourriture selon leur désir.
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
19Ils parlèrent contre Dieu, Ils dirent: Dieu pourrait-il Dresser une table dans le désert?
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
20Voici, il a frappé le rocher, et des eaux ont coulé, Et des torrents se sont répandus; Pourra-t-il aussi donner du pain, Ou fournir de la viande à son peuple?
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
21L’Éternel entendit, et il fut irrité; Un feu s’alluma contre Jacob, Et la colère s’éleva contre Israël,
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
22Parce qu’ils ne crurent pas en Dieu, Parce qu’ils n’eurent pas confiance dans son secours.
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
23Il commanda aux nuages d’en haut, Et il ouvrit les portes des cieux;
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
24Il fit pleuvoir sur eux la manne pour nourriture, Il leur donna le blé du ciel.
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
25Ils mangèrent tous le pain des grands, Il leur envoya de la nourriture à satiété.
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
26Il fit souffler dans les cieux le vent d’orient, Et il amena par sa puissance le vent du midi;
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
27Il fit pleuvoir sur eux la viande comme de la poussière, Et comme le sable des mers les oiseaux ailés;
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
28Il les fit tomber au milieu de leur camp, Tout autour de leurs demeures.
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
29Ils mangèrent et se rassasièrent abondamment: Dieu leur donna ce qu’ils avaient désiré.
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
30Ils n’avaient pas satisfait leur désir, Ils avaient encore leur nourriture dans la bouche,
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
31Lorsque la colère de Dieu s’éleva contre eux; Il frappa de mort les plus vigoureux, Il abattit les jeunes hommes d’Israël.
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
32Malgré tout cela, ils continuèrent à pécher, Et ne crurent point à ses prodiges.
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
33Il consuma leurs jours par la vanité, Et leurs années par une fin soudaine.
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
34Quand il les frappait de mort, ils le cherchaient, Ils revenaient et se tournaient vers Dieu;
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
35Ils se souvenaient que Dieu était leur rocher, Que le Dieu Très-Haut était leur libérateur.
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
36Mais ils le trompaient de la bouche, Et ils lui mentaient de la langue;
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
37Leur cœur n’était pas ferme envers lui, Et ils n’étaient pas fidèles à son alliance.
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
38Toutefois, dans sa miséricorde, il pardonne l’iniquité et ne détruit pas; Il retient souvent sa colère et ne se livre pas à toute sa fureur.
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
39Il se souvint qu’ils n’étaient que chair, Un souffle qui s’en va et ne revient pas.
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
40Que de fois ils se révoltèrent contre lui dans le désert! Que de fois ils l’irritèrent dans la solitude!
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
41Ils ne cessèrent de tenter Dieu, Et de provoquer le Saint d’Israël.
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
42Ils ne se souvinrent pas de sa puissance, Du jour où il les délivra de l’ennemi,
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
43Des miracles qu’il accomplit en Égypte, Et de ses prodiges dans les campagnes de Tsoan.
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
44Il changea leurs fleuves en sang, Et ils ne purent en boire les eaux.
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
45Il envoya contre eux des mouches venimeuses qui les dévorèrent, Et des grenouilles qui les détruisirent.
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
46Il livra leurs récoltes aux sauterelles, Le produit de leur travail aux sauterelles.
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
47Il fit périr leurs vignes par la grêle, Et leurs sycomores par la gelée.
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
48Il abandonna leur bétail à la grêle, Et leurs troupeaux au feu du ciel.
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
49Il lança contre eux son ardente colère, La fureur, la rage et la détresse, Une troupe de messagers de malheur.
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
50Il donna libre cours à sa colère, Il ne sauva pas leur âme de la mort, Il livra leur vie à la mortalité;
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
51Il frappa tous les premiers-nés en Égypte, Les prémices de la force sous les tentes de Cham.
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
52Il fit partir son peuple comme des brebis, Il les conduisit comme un troupeau dans le désert.
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
53Il les dirigea sûrement, pour qu’ils fussent sans crainte, Et la mer couvrit leurs ennemis.
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
54Il les amena vers sa frontière sainte, Vers cette montagne que sa droite a acquise.
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
55Il chassa devant eux les nations, Leur distribua le pays en héritage, Et fit habiter dans leurs tentes les tribus d’Israël.
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
56Mais ils tentèrent le Dieu Très-Haut et se révoltèrent contre lui, Et ils n’observèrent point ses ordonnances.
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
57Ils s’éloignèrent et furent infidèles, comme leurs pères, Ils tournèrent, comme un arc trompeur.
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
58Ils l’irritèrent par leurs hauts lieux, Et ils excitèrent sa jalousie par leurs idoles.
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
59Dieu entendit, et il fut irrité; Il repoussa fortement Israël.
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
60Il abandonna la demeure de Silo, La tente où il habitait parmi les hommes;
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
61Il livra sa gloire à la captivité, Et sa majesté entre les mains de l’ennemi.
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
62Il mit son peuple à la merci du glaive, Et il s’indigna contre son héritage.
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
63Le feu dévora ses jeunes hommes, Et ses vierges ne furent pas célébrées;
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
64Ses sacrificateurs tombèrent par l’épée, Et ses veuves ne pleurèrent pas.
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
65Le Seigneur s’éveilla comme celui qui a dormi, Comme un héros qu’a subjugué le vin.
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
66Il frappa ses adversaires en fuite, Il les couvrit d’un opprobre éternel.
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
67Cependant il rejeta la tente de Joseph, Et il ne choisit point la tribu d’Éphraïm;
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
68Il préféra la tribu de Juda, La montagne de Sion qu’il aimait.
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
69Et il bâtit son sanctuaire comme les lieux élevés, Comme la terre qu’il a fondée pour toujours.
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
70Il choisit David, son serviteur, Et il le tira des bergeries;
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
71Il le prit derrière les brebis qui allaitent, Pour lui faire paître Jacob, son peuple, Et Israël, son héritage.
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
72Et David les dirigea avec un cœur intègre, Et les conduisit avec des mains intelligentes.
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.