Psalms 78
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1A psalm for Asaph. O God, the heathens are come into thy inheritance, they have defiled thy holy temple: they have made Jerusalem as a place to keep fruit.
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
2They have given the dead bodies of thy servants to be meat for the fowls of the air: the flesh of thy saints for the beasts of the earth.
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
3They have poured out their blood as water, round about Jerusalem and there was none to bury them.
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
4We are become a reproach to our neighbours: a scorn and derision to them that are round about us.
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
5How long, O Lord, wilt thou be angry for ever: shall thy zeal be kindled like a fire?
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
6Pour out thy wrath upon the nations that have not known thee: and upon the kingdoms that have not called upon thy name.
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
7Because they have devoured Jacob; and have laid waste his place.
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
8Remember not our former iniquities: let thy mercies speedily prevent us, for we are become exceeding poor.
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
9Help us, O God, our saviour: and for the glory of thy name, O Lord, deliver us: and forgive us our sins for thy name’s sake:
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
10Lest they should say among the Gentiles: Where is their God? And let him be made known among the nations before our eyes, By the revenging the blood of thy servants, which hath been shed:
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
11Let the sighing of the prisoners come in before thee. According to the greatness of thy arm, take possession of the children of them that have been put to death.
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
12And render to our neighbours sevenfold in their bosom: the reproach wherewith they have reproached thee, O Lord.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
13But we thy people, and the sheep of thy pasture, will give thanks to thee for ever. We will shew forth thy praise, unto generation and generation.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
no verse 14 in this text
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
no verse 15 in this text
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
no verse 16 in this text
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
no verse 17 in this text
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
no verse 18 in this text
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
no verse 19 in this text
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
no verse 20 in this text
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
no verse 21 in this text
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
no verse 22 in this text
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
no verse 23 in this text
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
no verse 24 in this text
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
no verse 25 in this text
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
no verse 26 in this text
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
no verse 27 in this text
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
no verse 28 in this text
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
no verse 29 in this text
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
no verse 30 in this text
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
no verse 31 in this text
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
no verse 32 in this text
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
no verse 33 in this text
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
no verse 34 in this text
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
no verse 35 in this text
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
no verse 36 in this text
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
no verse 37 in this text
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
no verse 38 in this text
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
no verse 39 in this text
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
no verse 40 in this text
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
no verse 41 in this text
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
no verse 42 in this text
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
no verse 43 in this text
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
no verse 44 in this text
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
no verse 45 in this text
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
no verse 46 in this text
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
no verse 47 in this text
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
no verse 48 in this text
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
no verse 49 in this text
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
no verse 50 in this text
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
no verse 51 in this text
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
no verse 52 in this text
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
no verse 53 in this text
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
no verse 54 in this text
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
no verse 55 in this text
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
no verse 56 in this text
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
no verse 57 in this text
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
no verse 58 in this text
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
no verse 59 in this text
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
no verse 60 in this text
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
no verse 61 in this text
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
no verse 62 in this text
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
no verse 63 in this text
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
no verse 64 in this text
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
no verse 65 in this text
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
no verse 66 in this text
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
no verse 67 in this text
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
no verse 68 in this text
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
no verse 69 in this text
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
no verse 70 in this text
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
no verse 71 in this text
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
no verse 72 in this text
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.