Psalms 106
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Give glory to the Lord, for he is good: for his mercy endureth for ever.
1Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig!
2Let them say so that have been redeemed by the Lord, whom he hath redeemed from the hand of the enemy: and gathered out of the countries.
2Wie kan Jahweh’s machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden?
3From the rising and the setting of the sun, from the north and from the sea.
3Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen!
4They wandered in a wilderness, in a place without water: they found not the way of a city for their habitation.
4Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil,
5They were hungry and thirsty: their soul fainted in them.
5Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen!
6And they cried to the Lord in their tribulation: and he delivered them out of their distresses.
6Ach, wij hebben gezondigd met onze vaderen, Wij hebben misdreven en kwaad gedaan!
7And he led them into the right way: that they might go to a city of habitation.
7Onze vaderen in Egypte Hebben al niet op uw wonderen gelet; En zonder aan uw talrijke gunsten te denken, Zich bij de Rode Zee tegen den Allerhoogste verzet!
8Let the mercies of the Lord give glory to him: and his wonderful works to the children of men.
8Toch redde Hij hen om wille van zijn Naam, En om zijn almacht te tonen:
9For he hath satisfied the empty soul, and hath filled the hungry soul with good things.
9Hij bedreigde de Rode Zee, ze liep droog, Hij leidde hen tussen de golven als door een uitgedroogd land.
10Such as sat in darkness and in the shadow of death: bound in want and in iron.
10Hij redde hen uit de hand van hun haters, Verloste hen uit de macht van hun vijand;
11Because they had exasperated the words of God: and provoked the counsel of the most High:
11De wateren spoelden over hun vijanden heen, En geen bleef er over!
12And their heart was humbled with labours: they were weakened, and their was none to help them.
12Toen sloegen ze geloof aan zijn woorden, En zongen zijn lof.
13Then they cried to the Lord in their affliction: and he delivered them out of their distresses.
13Maar spoedig waren ze weer zijn werken vergeten, En wachtten zijn raadsbesluiten niet af;
14And he brought them out of darkness, and the shadow of death; and broke their bonds in sunder.
14Ze gaven zich in de woestijn aan hun gulzigheid over, En stelden God op de proef in de steppe.
15Let the mercies of the Lord give glory to him, and his wonderful works to the children of men.
15Hij schonk hun wat ze Hem vroegen, Maar Hij liet ze er spoedig van walgen.
16Because he hath broken gates of brass, and burst the iron bars.
16Daarna werden ze in hun kamp afgunstig op Moses, En op Aäron, aan Jahweh gewijd.
17He took them out of the way of their iniquity: for they were brought low for their injustices.
17Maar de aarde spleet open, zwolg Datan in, En bedolf de bent van Abiram;
18Their soul abhorred all manner of meat: and they drew nigh even to the gates of death.
18Vuur verbrandde hun aanhang, Vlammen verteerden de bozen!
19And they cried to the Lord in their affliction: and he delivered them out of their distresses.
19Dan maakten ze een kalf bij de Horeb, En wierpen zich voor een afgietsel neer;
20He sent his word, and healed them: and delivered them from their destructions.
20Ze verruilden hun Glorie Voor het beeld van een grasvretend rund.
21Let the mercies of the Lord give glory to him: and his wonderful works to the children of men.
21Ze vergaten God, hun Verlosser Die grote dingen in Egypte had gedaan,
22And let them sacrifice the sacrifice of praise: and declare his works with joy.
22Wonderwerken in het land van Cham, Ontzaglijke daden bij de Rode Zee.
23They that go down to the sea in ships, doing business in the great waters:
23En zeker had Hij hun verdelging beslist, Als Moses, zijn geliefde, er niet was geweest; Maar deze stelde zich tegen Hem in de bres, Om Hem te weerhouden, hen in zijn toorn te vernielen.
24These have seen the works of the Lord, and his wonders in the deep.
24Later versmaadden ze het heerlijke land, En sloegen geen geloof aan zijn woord;
25He said the word, and there arose a storm of wind: and the waves thereof were lifted up.
25Ze begonnen in hun tenten te morren, En luisterden niet naar Jahweh’s stem.
26They mount up to the heavens, and they go down to the depths: their soul pined away with evils.
26Toen stak Hij zijn hand tegen hen op: Hij zou ze neerslaan in de woestijn,
27They were troubled, and reeled like a drunken man; and all their wisdom was swallowed up.
27Hun zaad verstrooien onder de volken, Ze over vreemde landen verspreiden!
28And they cried to the Lord in their affliction: and he brought them out of their distresses.
28Dan weer koppelden ze zich aan Báal-Peor, En aten de offers van levenloze wezens;
29And he turned the storm into a breeze: and its waves were still.
29Ze tergden Hem door hun gedrag, Zodat er een slachting onder hen woedde.
30And they rejoiced because they were still: and he brought them to the haven which they wished for.
30Toen trad Pinechas op, om de misdaad te wreken, En de slachting hield op;
31Let the mercies of the Lord give glory to him, and his wonderful works to the children of men.
31Het werd hem tot verdienste gerekend, Van geslacht tot geslacht voor altijd.
32And let them exalt him in the church of the people: and praise him in the chair of the ancients.
32Ook bij de wateren van Meriba hebben ze Hem getergd, En ging het Moses om hunnentwil slecht:
33He hath turned rivers into a wilderness: and the sources of water into dry ground:
33Want ze hadden zijn stemming verbitterd, Zodat hem onbezonnen woorden ontsnapten.
34A fruitful land into barrenness, for the wickedness of them that dwell therein.
34Ook verdelgden ze de volkeren niet, Zoals Jahweh het hun had bevolen;
35He hath turned a wilderness into pools of water, and a dry land into water springs.
35Maar ze vermengden zich met de heidenen, En leerden hun gewoonten aan:
36And hath placed there the hungry; and they made a city for their habitation.
36Ze vereerden hun beelden, en die werden hun strik;
37And they sowed fields, and planted vineyards: and they yielded fruit of birth.
37Ze brachten hun zonen en dochters aan de goden ten offer;
38And he blessed them, and they were multiplied exceedingly: and their cattle he suffered not to decrease.
38Ze gingen onschuldig bloed vergieten, Het bloed van hun zonen en dochters; Ze offerden het aan de beelden van Kanaän, En het land werd door hun bloedschuld ontwijd.
39Then they were brought to be few: and they were afflicted through the trouble of evils and sorrow.
39Zo bezoedelden ze zich door eigen maaksels, En dreven overspel met het werk hunner handen!
40Contempt was poured forth upon their princes: and he caused them to wander where there was no passing, and out of the way.
40Toen werd Jahweh vergramd op zijn volk, En zijn erfdeel begon Hem te walgen:
41And he helped the poor out of poverty: and made him families like a flock of sheep.
41Hij leverde ze aan de heidenen uit, En hun haters werden hun meesters;
42The just shall see, and shall rejoice, and all iniquity shall stop their mouth.
42Ze werden verdrukt door hun vijand, Moesten bukken onder hun macht.
43Who is wise, and will keep these things: and will understand the mercies of the Lord?
43En al bracht Hij hun telkens verlossing, Ze bleven in hun opstand volharden! Maar werden ze door hun misdaad vermorzeld,
no verse 44 in this text
44Dan zag Hij neer op hun nood, zodra Hij hun smeken vernam;
no verse 45 in this text
45Dan was Hij voor hen zijn verbond weer indachtig, Had deernis met hen naar zijn grote ontferming;
no verse 46 in this text
46Dan liet Hij hen genade vinden, Bij die hen hadden weggevoerd.
no verse 47 in this text
47Ach, red ons Jahweh, onze God, En breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
no verse 48 in this text
48Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.