Psalmen 106
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Halleluja! Danket dem HERRN; denn er ist freundlich, und seine Güte währet ewiglich.
1Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig!
2Wer kann die großen Taten des HERRN ausreden und alle seine löblichen Werke preisen?
2Wie kan Jahweh’s machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden?
3Wohl denen, die das Gebot halten und tun immerdar recht!
3Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen!
4HERR, gedenke mein nach der Gnade, die du dem Volk verheißen hast; beweise uns deine Hilfe,
4Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil,
5daß wir sehen mögen die Wohlfahrt deiner Auserwählten und uns freuen, daß es deinem Volk wohl geht, und uns rühmen mit deinem Erbteil.
5Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen!
6Wir haben gesündigt samt unsern Vätern; wir haben mißgehandelt und sind gottlos gewesen.
6Ach, wij hebben gezondigd met onze vaderen, Wij hebben misdreven en kwaad gedaan!
7Unsre Väter in Ägypten wollten deine Wunder nicht verstehen; sie gedachten nicht an deine große Güte und waren ungehorsam am Meer, am Schilfmeer.
7Onze vaderen in Egypte Hebben al niet op uw wonderen gelet; En zonder aan uw talrijke gunsten te denken, Zich bij de Rode Zee tegen den Allerhoogste verzet!
8Er half ihnen aber um seines Namens willen, daß er seine Macht bewiese.
8Toch redde Hij hen om wille van zijn Naam, En om zijn almacht te tonen:
9Und er schalt das Schilfmeer: da ward's trocken, und führte sie durch die Tiefen wie in einer Wüste
9Hij bedreigde de Rode Zee, ze liep droog, Hij leidde hen tussen de golven als door een uitgedroogd land.
10und half ihnen von der Hand des, der sie haßte, und erlöste sie von der Hand des Feindes;
10Hij redde hen uit de hand van hun haters, Verloste hen uit de macht van hun vijand;
11und die Wasser ersäuften ihre Widersacher, daß nicht einer übrig blieb.
11De wateren spoelden over hun vijanden heen, En geen bleef er over!
12Da glaubten sie an seine Worte und sangen sein Lob.
12Toen sloegen ze geloof aan zijn woorden, En zongen zijn lof.
13Aber sie vergaßen bald seiner Werke; sie warteten nicht auf seinen Rat.
13Maar spoedig waren ze weer zijn werken vergeten, En wachtten zijn raadsbesluiten niet af;
14Und sie wurden lüstern in der Wüste und versuchten Gott in der Einöde.
14Ze gaven zich in de woestijn aan hun gulzigheid over, En stelden God op de proef in de steppe.
15Er aber gab ihnen ihre Bitte und sandte ihnen genug, bis ihnen davor ekelte.
15Hij schonk hun wat ze Hem vroegen, Maar Hij liet ze er spoedig van walgen.
16Und sie empörten sich wider Mose im Lager, wider Aaron, den Heiligen des HERRN.
16Daarna werden ze in hun kamp afgunstig op Moses, En op Aäron, aan Jahweh gewijd.
17Die Erde tat sich auf und verschlang Dathan und deckte zu die Rotte Abirams,
17Maar de aarde spleet open, zwolg Datan in, En bedolf de bent van Abiram;
18und Feuer ward unter ihrer Rotte angezündet, die Flamme verbrannte die Gottlosen.
18Vuur verbrandde hun aanhang, Vlammen verteerden de bozen!
19Sie machten ein Kalb am Horeb und beteten an das gegossene Bild
19Dan maakten ze een kalf bij de Horeb, En wierpen zich voor een afgietsel neer;
20und verwandelten ihre Ehre in ein Gleichnis eines Ochsen, der Gras frißt.
20Ze verruilden hun Glorie Voor het beeld van een grasvretend rund.
21Sie vergaßen Gottes, ihres Heilands, der so große Dinge in Ägypten getan hatte,
21Ze vergaten God, hun Verlosser Die grote dingen in Egypte had gedaan,
22Wunder im Lande Hams und schreckliche Werke am Schilfmeer.
22Wonderwerken in het land van Cham, Ontzaglijke daden bij de Rode Zee.
23Und er sprach, er wolle sie vertilgen, wo nicht Mose, sein Auserwählter, in den Riß getreten wäre vor ihm, seinen Grimm abzuwenden, auf daß er sie nicht gar verderbte.
23En zeker had Hij hun verdelging beslist, Als Moses, zijn geliefde, er niet was geweest; Maar deze stelde zich tegen Hem in de bres, Om Hem te weerhouden, hen in zijn toorn te vernielen.
24und sie verachteten das liebe Land, sie glaubten seinem Wort nicht
24Later versmaadden ze het heerlijke land, En sloegen geen geloof aan zijn woord;
25und murrten in ihren Hütten; sie gehorchten der Stimme des HERRN nicht.
25Ze begonnen in hun tenten te morren, En luisterden niet naar Jahweh’s stem.
26Und er hob auf seine Hand wider sie, daß er sie niederschlüge in der Wüste
26Toen stak Hij zijn hand tegen hen op: Hij zou ze neerslaan in de woestijn,
27und würfe ihren Samen unter die Heiden und zerstreute sie in die Länder.
27Hun zaad verstrooien onder de volken, Ze over vreemde landen verspreiden!
28Und sie hingen sich an den Baal-Peor und aßen von den Opfern der toten Götzen
28Dan weer koppelden ze zich aan Báal-Peor, En aten de offers van levenloze wezens;
29und erzürnten ihn mit ihrem Tun; da brach auch die Plage unter sie.
29Ze tergden Hem door hun gedrag, Zodat er een slachting onder hen woedde.
30Da trat Pinehas herzu und schlichtete die Sache; da ward der Plage gesteuert.
30Toen trad Pinechas op, om de misdaad te wreken, En de slachting hield op;
31Das ward ihm gerechnet zur Gerechtigkeit für und für ewiglich.
31Het werd hem tot verdienste gerekend, Van geslacht tot geslacht voor altijd.
32Und sie erzürnten ihn am Haderwasser, und Mose ging es übel um ihretwillen.
32Ook bij de wateren van Meriba hebben ze Hem getergd, En ging het Moses om hunnentwil slecht:
33Denn sie betrübten ihm sein Herz, daß ihm etliche Worte entfuhren.
33Want ze hadden zijn stemming verbitterd, Zodat hem onbezonnen woorden ontsnapten.
34Auch vertilgten sie die Völker nicht, wie sie doch der HERR geheißen hatte;
34Ook verdelgden ze de volkeren niet, Zoals Jahweh het hun had bevolen;
35sondern sie mengten sich unter die Heiden und lernten derselben Werke
35Maar ze vermengden zich met de heidenen, En leerden hun gewoonten aan:
36und dienten ihren Götzen; die wurden ihnen zum Fallstrick.
36Ze vereerden hun beelden, en die werden hun strik;
37Und sie opferten ihre Söhne und ihre Töchter den Teufeln
37Ze brachten hun zonen en dochters aan de goden ten offer;
38und vergossen unschuldig Blut, das Blut ihrer Söhne und ihrer Töchter, die sie opferten den Götzen Kanaans, daß das Land mit Blutschulden befleckt ward;
38Ze gingen onschuldig bloed vergieten, Het bloed van hun zonen en dochters; Ze offerden het aan de beelden van Kanaän, En het land werd door hun bloedschuld ontwijd.
39und verunreinigten sich mit ihren Werken und wurden abgöttisch mit ihrem Tun.
39Zo bezoedelden ze zich door eigen maaksels, En dreven overspel met het werk hunner handen!
40Da ergrimmte der Zorn des HERRN über sein Volk, und er gewann einen Greuel an seinem Erbe
40Toen werd Jahweh vergramd op zijn volk, En zijn erfdeel begon Hem te walgen:
41und gab sie in die Hände der Heiden, daß über sie herrschten, die ihnen gram waren.
41Hij leverde ze aan de heidenen uit, En hun haters werden hun meesters;
42Und ihre Feinde ängsteten sie; und sie wurden gedemütigt unter ihre Hände.
42Ze werden verdrukt door hun vijand, Moesten bukken onder hun macht.
43Er errettete sie oftmals; aber sie erzürnten ihn mit ihrem Vornehmen und wurden wenig um ihrer Missetat willen.
43En al bracht Hij hun telkens verlossing, Ze bleven in hun opstand volharden! Maar werden ze door hun misdaad vermorzeld,
44Und er sah ihre Not an, da er ihre Klage hörte,
44Dan zag Hij neer op hun nood, zodra Hij hun smeken vernam;
45und gedachte an seinen Bund, den er mit ihnen gemacht hatte; und es reute ihn nach seiner großen Güte,
45Dan was Hij voor hen zijn verbond weer indachtig, Had deernis met hen naar zijn grote ontferming;
46und er ließ sie zur Barmherzigkeit kommen vor allen, die sie gefangen hatten.
46Dan liet Hij hen genade vinden, Bij die hen hadden weggevoerd.
47Hilf uns, HERR, unser Gott, und bringe uns zusammen aus den Heiden, daß wir danken deinem heiligen Namen und rühmen dein Lob.
47Ach, red ons Jahweh, onze God, En breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
48Gelobet sei der HERR, der Gott Israels, von Ewigkeit zu Ewigkeit, und alles Volk spreche: Amen, halleluja!
48Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.