Psalmen
Chapter 81
Lutherbibel 1912
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psalmen 81

Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Auf der Gittith, vorzusingen, Asaphs. Singet fröhlich Gott, der unsre Stärke ist; jauchzt dem Gott Jakobs!
1Voor muziekbegeleiding; op de gittiet. Van Asaf. Jubelt voor God, onze sterkte, Juicht den God van Jakob ter eer;
2Hebet an mit Psalmen und gebet her die Pauken, liebliche Harfen mit Psalter!
2Stemt lofzangen aan, slaat de pauken, Met lieflijke citer en harp;
3Blaset im Neumond die Posaune, in unserm Fest der Laubhütten!
3Steekt deze maand de bazuinen, Bij volle maan voor de dag van ons feest!
4Denn solches ist die Weise in Israel und ein Recht des Gottes Jakobs.
4Want dit is een voorschrift aan Israël, En een bevel van Jakobs God:
5Solche hat er zum Zeugnis gesetzt unter Joseph, da sie aus Ägyptenland zogen und fremde Sprache gehört hatten,
5Een gebod, aan Josef gegeven, Na zijn tocht uit het land van Egypte, Toen hij een woord vernam, Dat hij nooit had gehoord:
6da ich ihre Schulter von der Last entledigt hatte und ihre Hände der Körbe los wurden.
6Ik heb de last van uw schouders genomen, En uw handen werden van de draagkorf bevrijd.
7Da du mich in der Not anriefst, half ich dir aus; ich erhörte dich, da dich das Wetter überfiel, und versuchte dich am Haderwasser. (Sela.)
7Gij riept in de nood, En Ik heb u verlost, In donderwolken u verhoord, Bij de wateren van Meriba u beproefd.
8Höre, mein Volk, ich will unter dir zeugen; Israel, du sollst mich hören,
8Hoor, mijn volk, Ik ga het u plechtig verkonden; Israël, ach, luister naar Mij:
9daß unter dir kein anderer Gott sei und du keinen fremden Gott anbetest.
9Geen andere god mag er onder u zijn; Geen vreemden god moogt gij aanbidden!
10Ich bin der HERR, dein Gott, der dich aus Ägyptenland geführt hat: Tue deinen Mund weit auf, laß mich ihn füllen!
10Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, En die uw mond heb gevuld, toen hij wijd was geopend!
11Aber mein Volk gehorcht nicht meiner Stimme, und Israel will mich nicht.
11Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, En Israël gehoorzaamde niet;
12So habe ich sie gelassen in ihres Herzens Dünkel, daß sie wandeln nach ihrem Rat.
12Toen gaf ik ze prijs aan verstoktheid des harten, En iedereen ging zijn eigen weg.
13Wollte mein Volk mir gehorsam sein und Israel auf meinem Wege gehen,
13Ach, had mijn volk naar Mij toch geluisterd, En Israël mijn wegen bewandeld!
14so wollte ich ihre Feinde bald dämpfen und meine Hand über ihre Widersacher wenden,
14Hoe snel had Ik dan zijn vijand vernederd, Mijn hand op zijn verdrukkers doen komen;
15und denen, die den HERRN hassen, müßte es wider sie fehlen; ihre Zeit aber würde ewiglich währen,
15Al hadden Jahweh’s haters Hem nog zo gevleid, Hun tijd was voor eeuwig gekomen!
16und ich würde sie mit dem besten Weizen speisen und mit Honig aus dem Felsen sättigen.
16Maar u zou Ik spijzen met de bloem van de tarwe, En verzadigen met honing uit de rotsen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.