Psalmen 78
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Eine Unterweisung Asaphs. Höre, mein Volk, mein Gesetz; neigt eure Ohren zu der Rede meines Mundes!
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
2Ich will meinen Mund auftun zu Sprüchen und alte Geschichten aussprechen,
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
3die wir gehört haben und wissen und unsre Väter uns erzählt haben,
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
4daß wir's nicht verhalten sollten ihren Kindern, die hernach kommen, und verkündigten den Ruhm des HERRN und seine Macht und seine Wunder, die er getan hat.
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
5Er richtete ein Zeugnis auf in Jakob und gab ein Gesetz in Israel, das er unsern Vätern gebot zu lehren ihre Kinder,
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
6auf daß es die Nachkommen lernten und die Kinder, die noch sollten geboren werden; wenn sie aufkämen, daß sie es auch ihren Kinder verkündigten,
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
7daß sie setzten auf Gott ihre Hoffnung und nicht vergäßen der Taten Gottes und seine Gebote hielten
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
8und nicht würden wie ihre Väter, eine abtrünnige und ungehorsame Art, welchen ihr Herz nicht fest war und ihr Geist nicht treulich hielt an Gott,
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
9wie die Kinder Ephraim, die geharnischt den Bogen führten, abfielen zur Zeit des Streits.
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
10Sie hielten den Bund Gottes nicht und wollten nicht in seinem Gesetz wandeln
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
11und vergaßen seiner Taten und seiner Wunder, die er ihnen erzeigt hatte.
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
12Vor ihren Vätern tat er Wunder in Ägyptenland, im Felde Zoan.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
13Er zerteilte das Meer und ließ sie hindurchgehen und stellte das Wasser wie eine Mauer.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
14Er leitete sie des Tages mit einer Wolke und des Nachts mit einem hellen Feuer.
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
15Er riß die Felsen in der Wüste und tränkte sie mit Wasser die Fülle
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
16und ließ Bäche aus den Felsen fließen, daß sie hinabflossen wie Wasserströme.
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
17Dennoch sündigten sie weiter gegen ihn und erzürnten den Höchsten in der Wüste
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
18und versuchten Gott in ihrem Herzen, daß sie Speise forderten für ihre Seelen,
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
19und redeten gegen Gott und sprachen: “Ja, Gott sollte wohl können einen Tisch bereiten in der Wüste?
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
20Siehe, er hat wohl den Felsen geschlagen, daß Wasser flossen und Bäche sich ergossen; aber wie kann er Brot geben und seinem Volke Fleisch verschaffen?”
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
21Da nun das der HERR hörte, entbrannte er, und Feuer ging an in Jakob, und Zorn kam über Israel,
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
22daß sie nicht glaubten an Gott und hofften nicht auf seine Hilfe.
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
23Und er gebot den Wolken droben und tat auf die Türen des Himmels
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
24und ließ das Man auf sie regnen, zu essen, und gab ihnen Himmelsbrot.
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
25Sie aßen Engelbrot; er sandte ihnen Speise die Fülle.
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
26Er ließ wehen den Ostwind unter dem Himmel und erregte durch seine Stärke den Südwind
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
27und ließ Fleisch auf sie regnen wie Staub und Vögel wie Sand am Meer
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
28und ließ sie fallen unter ihr Lager allenthalben, da sie wohnten.
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
29Da aßen sie und wurden allzu satt; er ließ sie ihre Lust büßen.
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
30Da sie nun ihre Lust gebüßt hatten und noch davon aßen,
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
31da kam der Zorn Gottes über sie und erwürgte die Vornehmsten unter ihnen und schlug darnieder die Besten in Israel.
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
32Aber über das alles sündigten sie noch mehr und glaubten nicht an seine Wunder.
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
33Darum ließ er sie dahinsterben, daß sie nichts erlangten und mußten ihr Leben lang geplagt sein.
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
34Wenn er sie erwürgte, suchten sie ihn und kehrten sich zu Gott
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
35und gedachten, daß Gott ihr Hort ist und Gott der Höchste ihr Erlöser ist,
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
36und heuchelten mit ihrem Munde und logen ihm mit ihrer Zunge;
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
37aber ihr Herz war nicht fest an ihm, und hielten nicht treulich an seinem Bund.
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
38Er aber war barmherzig und vergab die Missetat und vertilgte sie nicht und wandte oft seinen Zorn ab und ließ nicht seinen ganzen Zorn gehen.
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
39Denn er gedachte, daß sie Fleisch sind, ein Wind, der dahinfährt und nicht wiederkommt.
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
40Wie oft erzürnten sie ihn in der Wüste und entrüsteten ihn in der Einöde!
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
41Sie versuchten Gott immer wieder und meisterten den Heiligen in Israel.
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
42Sie gedachten nicht an seine Hand des Tages, da er sie erlöste von den Feinden;
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
43wie er denn seine Zeichen in Ägypten getan hatte und seine Wunder im Lande Zoan;
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
44da er ihr Wasser in Blut wandelte, daß sie ihre Bäche nicht trinken konnten;
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
45da er Ungeziefer unter sie schickte, daß sie fraß, und Frösche, die sie verderbten,
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
46und gab ihre Gewächse den Raupen und ihre Saat den Heuschrecken;
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
47da er ihre Weinstöcke mit Hagel schlug und ihre Maulbeerbäume mit Schloßen;
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
48da er ihr Vieh schlug mit Hagel und ihre Herden mit Wetterstrahlen;
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
49da er böse Engel unter sie sandte in seinem grimmigen Zorn und ließ sie toben und wüten und Leid tun;
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
50da er seinen Zorn ließ fortgehen und ihre Seele vor dem Tode nicht verschonte und übergab ihr Leben der Pestilenz;
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
51da er alle Erstgeburt in Ägypten schlug, die Erstlinge ihrer Kraft in den Hütten Hams,
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
52und ließ sein Volk ausziehen wie die Schafe und führte sie wie eine Herde in der Wüste.
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
53Und leitete sie sicher, daß sie sich nicht fürchteten; aber ihre Feinde bedeckte das Meer.
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
54Und er brachte sie zu seiner heiligen Grenze, zu diesem Berge, den seine Rechte erworben hat,
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
55und vertrieb vor ihnen her die Völker und ließ ihnen das Erbe austeilen und ließ in jener Hütten die Stämme Israels wohnen.
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
56Aber sie versuchten und erzürnten Gott den Höchsten und hielten ihre Zeugnisse nicht
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
57und fielen zurück und verachteten alles wie ihre Väter und hielten nicht, gleichwie ein loser Bogen,
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
58und erzürnten ihn mit ihren Höhen und reizten ihn mit ihren Götzen.
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
59Und da das Gott hörte, entbrannte er und verwarf Israel ganz,
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
60daß er seine Wohnung zu Silo ließ fahren, die Hütte, da er unter Menschen wohnte,
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
61und gab seine Macht ins Gefängnis und seine Herrlichkeit in die Hand des Feindes
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
62und übergab sein Volk ins Schwert und entbrannte über sein Erbe.
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
63Ihre junge Mannschaft fraß das Feuer, und ihre Jungfrauen mußten ungefreit bleiben.
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
64Ihre Priester fielen durchs Schwert, und waren keine Witwen, die da weinen sollten.
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
65Und der Herr erwachte wie ein Schlafender, wie ein Starker jauchzt, der vom Wein kommt,
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
66und schlug seine Feinde zurück und hängte ihnen ewige Schande an.
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
67Und er verwarf die Hütte Josephs und erwählte nicht den Stamm Ephraim,
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
68sondern erwählte den Stamm Juda, den Berg Zion, welchen er liebte.
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
69Und baute sein Heiligtum hoch, wie die Erde, die ewiglich fest stehen soll.
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
70Und erwählte seinen Knecht David und nahm ihn von den Schafställen;
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
71von den säugenden Schafen holte er ihn, daß er sein Volk Jakob weiden sollte und sein Erbe Israel.
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
72Und er weidete sie auch mit aller Treue und regierte mit allem Fleiß.
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.