תְהִלִּים

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 78
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

תְהִלִּים 78

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1משכיל לאסף האזינה עמי תורתי הטו אזנכם לאמרי פי׃
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
2אפתחה במשל פי אביעה חידות מני קדם׃
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
3אשר שמענו ונדעם ואבותינו ספרו לנו׃
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
4לא נכחד מבניהם לדור אחרון מספרים תהלות יהוה ועזוזו ונפלאותיו אשר עשה׃
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
5ויקם עדות ביעקב ותורה שם בישראל אשר צוה את אבותינו להודיעם לבניהם׃
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
6למען ידעו דור אחרון בנים יולדו יקמו ויספרו לבניהם׃
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
7וישימו באלהים כסלם ולא ישכחו מעללי אל ומצותיו ינצרו׃
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
8ולא יהיו כאבותם דור סורר ומרה דור לא הכין לבו ולא נאמנה את אל רוחו׃
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
9בני אפרים נושקי רומי קשת הפכו ביום קרב׃
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
10לא שמרו ברית אלהים ובתורתו מאנו ללכת׃
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
11וישכחו עלילותיו ונפלאותיו אשר הראם׃
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
12נגד אבותם עשה פלא בארץ מצרים שדה צען׃
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
13בקע ים ויעבירם ויצב מים כמו נד׃
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
14וינחם בענן יומם וכל הלילה באור אש׃
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
15יבקע צרים במדבר וישק כתהמות רבה׃
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
16ויוצא נוזלים מסלע ויורד כנהרות מים׃
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
17ויוסיפו עוד לחטא לו למרות עליון בציה׃
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
18וינסו אל בלבבם לשאל אכל לנפשם׃
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
19וידברו באלהים אמרו היוכל אל לערך שלחן במדבר׃
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
20הן הכה צור ויזובו מים ונחלים ישטפו הגם לחם יוכל תת אם יכין שאר לעמו׃
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
21לכן שמע יהוה ויתעבר ואש נשקה ביעקב וגם אף עלה בישראל׃
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
22כי לא האמינו באלהים ולא בטחו בישועתו׃
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
23ויצו שחקים ממעל ודלתי שמים פתח׃
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
24וימטר עליהם מן לאכל ודגן שמים נתן למו׃
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
25לחם אבירים אכל איש צידה שלח להם לשבע׃
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
26יסע קדים בשמים וינהג בעזו תימן׃
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
27וימטר עליהם כעפר שאר וכחול ימים עוף כנף׃
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
28ויפל בקרב מחנהו סביב למשכנתיו׃
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
29ויאכלו וישבעו מאד ותאותם יבא להם׃
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
30לא זרו מתאותם עוד אכלם בפיהם׃
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
31ואף אלהים עלה בהם ויהרג במשמניהם ובחורי ישראל הכריע׃
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
32בכל זאת חטאו עוד ולא האמינו בנפלאותיו׃
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
33ויכל בהבל ימיהם ושנותם בבהלה׃
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
34אם הרגם ודרשוהו ושבו ושחרו אל׃
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
35ויזכרו כי אלהים צורם ואל עליון גאלם׃
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
36ויפתוהו בפיהם ובלשונם יכזבו לו׃
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
37ולבם לא נכון עמו ולא נאמנו בבריתו׃
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
38והוא רחום יכפר עון ולא ישחית והרבה להשיב אפו ולא יעיר כל חמתו׃
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
39ויזכר כי בשר המה רוח הולך ולא ישוב׃
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
40כמה ימרוהו במדבר יעציבוהו בישימון׃
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
41וישובו וינסו אל וקדוש ישראל התוו׃
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
42לא זכרו את ידו יום אשר פדם מני צר׃
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
43אשר שם במצרים אתותיו ומופתיו בשדה צען׃
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
44ויהפך לדם יאריהם ונזליהם בל ישתיון׃
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
45ישלח בהם ערב ויאכלם וצפרדע ותשחיתם׃
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
46ויתן לחסיל יבולם ויגיעם לארבה׃
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
47יהרג בברד גפנם ושקמותם בחנמל׃
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
48ויסגר לברד בעירם ומקניהם לרשפים׃
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
49ישלח בם חרון אפו עברה וזעם וצרה משלחת מלאכי רעים׃
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
50יפלס נתיב לאפו לא חשך ממות נפשם וחיתם לדבר הסגיר׃
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
51ויך כל בכור במצרים ראשית אונים באהלי חם׃
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
52ויסע כצאן עמו וינהגם כעדר במדבר׃
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
53וינחם לבטח ולא פחדו ואת אויביהם כסה הים׃
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
54ויביאם אל גבול קדשו הר זה קנתה ימינו׃
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
55ויגרש מפניהם גוים ויפילם בחבל נחלה וישכן באהליהם שבטי ישראל׃
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
56וינסו וימרו את אלהים עליון ועדותיו לא שמרו׃
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
57ויסגו ויבגדו כאבותם נהפכו כקשת רמיה׃
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
58ויכעיסוהו בבמותם ובפסיליהם יקניאוהו׃
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
59שמע אלהים ויתעבר וימאס מאד בישראל׃
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
60ויטש משכן שלו אהל שכן באדם׃
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
61ויתן לשבי עזו ותפארתו ביד צר׃
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
62ויסגר לחרב עמו ובנחלתו התעבר׃
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
63בחוריו אכלה אש ובתולתיו לא הוללו׃
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
64כהניו בחרב נפלו ואלמנתיו לא תבכינה׃
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
65ויקץ כישן אדני כגבור מתרונן מיין׃
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
66ויך צריו אחור חרפת עולם נתן למו׃
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
67וימאס באהל יוסף ובשבט אפרים לא בחר׃
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
68ויבחר את שבט יהודה את הר ציון אשר אהב׃
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
69ויבן כמו רמים מקדשו כארץ יסדה לעולם׃
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
70ויבחר בדוד עבדו ויקחהו ממכלאת צאן׃
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
71מאחר עלות הביאו לרעות ביעקב עמו ובישראל נחלתו׃
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
72וירעם כתם לבבו ובתבונות כפיו ינחם׃
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.