תְהִלִּים 89
Modern Hebrew BibleTranslation
Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1משכיל לאיתן האזרחי חסדי יהוה עולם אשירה לדר ודר אודיע אמונתך בפי׃
1Een leerdicht van Etan, den Ezrachiet. Uw genade, o Jahweh, wil ik eeuwig bezingen, Uw trouw verkonden van geslacht tot geslacht!
2כי אמרתי עולם חסד יבנה שמים תכן אמונתך בהם׃
2Want Gij hebt gesproken: Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast.
3כרתי ברית לבחירי נשבעתי לדוד עבדי׃
3Ik heb een verbond met mijn uitverkorene gesloten, Een eed gezworen aan David, mijn dienaar:
4עד עולם אכין זרעך ובניתי לדר ודור כסאך סלה׃
4Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, Uw troon doen staan van geslacht tot geslacht!
5ויודו שמים פלאך יהוה אף אמונתך בקהל קדשים׃
5De hemelen loven uw wondermacht, Jahweh, En uw trouw in de gemeenschap der heiligen;
6כי מי בשחק יערך ליהוה ידמה ליהוה בבני אלים׃
6Want wie in de wolken kan zich meten met Jahweh, Wie van Gods zonen is aan Jahweh gelijk?
7אל נערץ בסוד קדשים רבה ונורא על כל סביביו׃
7Geweldig is God in de gemeenschap der heiligen, Machtig, ontzaglijk boven allen om Hem heen!
8יהוה אלהי צבאות מי כמוך חסין יה ואמונתך סביבותיך׃
8God der heirscharen, Jahweh, wie komt U nabij; Uw almacht en trouw omringen U, Jahweh!
9אתה מושל בגאות הים בשוא גליו אתה תשבחם׃
9Gij beheerst de onstuimige zee, En bedaart de bruisende golven;
10אתה דכאת כחלל רהב בזרוע עזך פזרת אויביך׃
10Gij hebt Ráhab weggetrapt als een kreng, Uw vijanden uiteen gejaagd door uw machtige arm.
11לך שמים אף לך ארץ תבל ומלאה אתה יסדתם׃
11Van U is de hemel, van U is de aarde; Gij hebt de wereld gegrond met wat ze bevat.
12צפון וימין אתה בראתם תבור וחרמון בשמך ירננו׃
12Het Noorden en Zuiden, Gij hebt ze geschapen; Tabor en Hermon prijzen uw Naam!
13לך זרוע עם גבורה תעז ידך תרום ימינך׃
13Aan U de arm met heldenkracht; Uw hand is sterk, uw rechter verheven.
14צדק ומשפט מכון כסאך חסד ואמת יקדמו פניך׃
14Recht en gerechtigheid dragen uw troon, Genade en trouw gaan voor uw aangezicht uit!
15אשרי העם יודעי תרועה יהוה באור פניך יהלכון׃
15Gelukkig het volk, dat nog jubelen kan, En wandelen in het licht van uw aanschijn, o Jahweh;
16בשמך יגילון כל היום ובצדקתך ירומו׃
16Dat zich altijd verheugt in uw Naam, En in uw gerechtigheid roemt.
17כי תפארת עזמו אתה וברצנך תרים קרננו׃
17Want Gij zijt onze heerlijke schutse, Door uw goedheid heft onze hoorn zich omhoog:
18כי ליהוה מגננו ולקדוש ישראל מלכנו׃
18Want Jahweh is ons tot schild, Israëls Heilige tot Koning!
19אז דברת בחזון לחסידיך ותאמר שויתי עזר על גבור הרימותי בחור מעם׃
19Eens hebt Gij in visioenen gesproken, En tot uw getrouwe gezegd: Ik heb een dapperen strijder gekroond, Hoog verheven een jongeman uit het volk.
20מצאתי דוד עבדי בשמן קדשי משחתיו׃
20Ik heb David, mijn dienaar, gevonden, Hem met mijn heilige olie gezalfd;
21אשר ידי תכון עמו אף זרועי תאמצנו׃
21Mijn hand houdt hem vast, En mijn arm zal hem stutten!
22לא ישא אויב בו ובן עולה לא יעננו׃
22Geen vijand zal hem bespringen, Geen booswicht benauwen;
23וכתותי מפניו צריו ומשנאיו אגוף׃
23Ik leg zijn vijanden voor hem neer, En sla zijn haters tegen de grond.
24ואמונתי וחסדי עמו ובשמי תרום קרנו׃
24Mijn trouw en genade zullen hem steeds vergezellen, Door mijn Naam zal zijn hoorn zich verheffen;
25ושמתי בים ידו ובנהרות ימינו׃
25Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren.
26הוא יקראני אבי אתה אלי וצור ישועתי׃
26Hij mag tot Mij roepen: Mijn Vader zijt Gij, Mijn God en de Rots van mijn heil;
27אף אני בכור אתנהו עליון למלכי ארץ׃
27En Ik zal hem tot eerstgeborene verheffen, Hoog boven de koningen der aarde.
28לעולם אשמור לו חסדי ובריתי נאמנת לו׃
28Eeuwig zal Ik hem mijn genade behouden, Onverbreekbaar zal mijn verbond met hem zijn:
29ושמתי לעד זרעו וכסאו כימי שמים׃
29Ik zal zijn geslacht laten duren voor eeuwig, Zijn troon als de dagen des hemels!
30אם יעזבו בניו תורתי ובמשפטי לא ילכון׃
30En mochten zijn zonen mijn wet verzaken, En niet wandelen naar mijn geboden,
31אם חקתי יחללו ומצותי לא ישמרו׃
31Mijn voorschriften schenden, Mijn bevel overtreden:
32ופקדתי בשבט פשעם ובנגעים עונם׃
32Dan zal Ik wel met de roede hun misdaad bestraffen, En met slagen hun schuld,
33וחסדי לא אפיר מעמו ולא אשקר באמונתי׃
33Maar hèm zal Ik mijn gunst niet onthouden, En mijn trouw niet verloochenen.
34לא אחלל בריתי ומוצא שפתי לא אשנה׃
34Mijn verbond zal Ik nimmer verbreken, Nooit veranderen wat Ik eens heb gezegd;
35אחת נשבעתי בקדשי אם לדוד אכזב׃
35Bij mijn heiligheid heb Ik het eens en voor altijd gezworen, En nooit breek Ik David mijn woord!
36זרעו לעולם יהיה וכסאו כשמש נגדי׃
36Zijn geslacht zal eeuwig bestaan, En zijn troon als de zon voor mijn aanschijn;
37כירח יכון עולם ועד בשחק נאמן סלה׃
37Als de maan, die stand houdt voor eeuwig, En trouw in de wolken blijft staan.
38ואתה זנחת ותמאס התעברת עם משיחך׃
38En nu hebt Gij toch uw Gezalfde versmaad en verstoten, Tegen hem uw gramschap ontstoken;
39נארתה ברית עבדך חללת לארץ נזרו׃
39Het verbond met uw dienaar verbroken, Zijn kroon vertrapt op de grond.
40פרצת כל גדרתיו שמת מבצריו מחתה׃
40Al zijn wallen hebt Gij geslecht, Zijn vestingen in puin gelegd;
41שסהו כל עברי דרך היה חרפה לשכניו׃
41Iedereen plundert hem, die er voorbij gaat, En zijn buren spotten met hem.
42הרימות ימין צריו השמחת כל אויביו׃
42Gij hebt de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd, En al zijn vijanden van blijdschap doen juichen,
43אף תשיב צור חרבו ולא הקימתו במלחמה׃
43Doen wijken de kling van zijn zwaard, Hem geen stand doen houden in de strijd.
44השבת מטהרו וכסאו לארץ מגרתה׃
44Gij hebt hem van zijn glorie beroofd, Zijn troon ter aarde geworpen;
45הקצרת ימי עלומיו העטית עליו בושה סלה׃
45De dagen verkort van zijn jeugdige kracht, En hem met schande bedekt.
46עד מה יהוה תסתר לנצח תבער כמו אש חמתך׃
46Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij U maar altijd verbergen, En zal uw gramschap laaien als vuur?
47זכר אני מה חלד על מה שוא בראת כל בני אדם׃
47Bedenk toch, wat het leven is, Hoe vergankelijk Gij den mens hebt gemaakt.
48מי גבר יחיה ולא יראה מות ימלט נפשו מיד שאול סלה׃
48Waar leeft de man, die de dood niet zal zien, Zijn leven kan redden uit de klauw van het graf?
49איה חסדיך הראשנים אדני נשבעת לדוד באמונתך׃
49Heer, waar zijn dan uw vroegere gunsten gebleven, Die Gij David bij uw trouw hadt bezworen?
50זכר אדני חרפת עבדיך שאתי בחיקי כל רבים עמים׃
50Ach Heer, gedenk toch de smaad van uw dienaar, De hoon der volken, die ik in mijn boezem verkrop,
51אשר חרפו אויביך יהוה אשר חרפו עקבות משיחך׃
51Waarmee uw vijanden schimpen, o Jahweh, En uw Gezalfde tergen bij iedere stap!
52ברוך יהוה לעולם אמן ואמן׃
52Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.