Salmi 89
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1IO canterò in perpetuo le benignità del Signore; Io renderò colla mia bocca nota la tua verità per ogni età.
1Een leerdicht van Etan, den Ezrachiet. Uw genade, o Jahweh, wil ik eeuwig bezingen, Uw trouw verkonden van geslacht tot geslacht!
2Perciocchè io ho detto: La tua benignità sarà stabile in eterno; Tu hai fermata la tua verità ne' cieli.
2Want Gij hebt gesproken: Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast.
3Io ho fatto, dice il Signore , patto col mio eletto; Io ho giurato a Davide, mio servitore, dicendo:
3Ik heb een verbond met mijn uitverkorene gesloten, Een eed gezworen aan David, mijn dienaar:
4Io fonderò la tua progenie in eterno, Ed edificherò il tuo trono per ogni età. (Sela.)
4Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, Uw troon doen staan van geslacht tot geslacht!
5I cieli parimente celebreranno le tue maraviglie, o Signore; La tua verità eziandio sarà celebrata nella raunanza de' santi.
5De hemelen loven uw wondermacht, Jahweh, En uw trouw in de gemeenschap der heiligen;
6Perciocchè, chi è nel cielo che pareggi il Signore; E che possa essere assomigliato al Signore, fra i figliuoli de' possenti?
6Want wie in de wolken kan zich meten met Jahweh, Wie van Gods zonen is aan Jahweh gelijk?
7Iddio è grandemente spaventevole nel consiglio de' santi, E tremendo sopra tutti quelli che sono d'intorno a lui.
7Geweldig is God in de gemeenschap der heiligen, Machtig, ontzaglijk boven allen om Hem heen!
8O Signore Iddio degli eserciti, chi è potente Signore come sei tu? Tu hai, oltre a ciò, intorno a te la tua verità.
8God der heirscharen, Jahweh, wie komt U nabij; Uw almacht en trouw omringen U, Jahweh!
9Tu signoreggi sopra l'alterezza del mare; Quando le sue onde s'innalzano, tu l'acqueti.
9Gij beheerst de onstuimige zee, En bedaart de bruisende golven;
10Tu hai fiaccato Rahab, a guisa d'uomo ferito a morte; Tu hai, col tuo possente braccio, dispersi i tuoi nemici.
10Gij hebt Ráhab weggetrapt als een kreng, Uw vijanden uiteen gejaagd door uw machtige arm.
11I cieli son tuoi, tua eziandio è la terra; Tu hai fondato il mondo, e tutto ciò ch'è in esso.
11Van U is de hemel, van U is de aarde; Gij hebt de wereld gegrond met wat ze bevat.
12Tu hai creato il Settentrione ed il Mezzodì; Tabor ed Hermon trionfano nel tuo Nome.
12Het Noorden en Zuiden, Gij hebt ze geschapen; Tabor en Hermon prijzen uw Naam!
13Tu hai un braccio forte; La tua mano è potente, la tua destra è esaltata.
13Aan U de arm met heldenkracht; Uw hand is sterk, uw rechter verheven.
14Giustizia e giudicio son la ferma base del tuo trono; Benignità e verità vanno davanti alla tua faccia.
14Recht en gerechtigheid dragen uw troon, Genade en trouw gaan voor uw aangezicht uit!
15Beato il popolo che sa che cosa è il giubilare; O Signore, essi cammineranno alla chiarezza della tua faccia;
15Gelukkig het volk, dat nog jubelen kan, En wandelen in het licht van uw aanschijn, o Jahweh;
16Festeggeranno tuttodì nel tuo nome, E si esalteranno nella tua giustizia.
16Dat zich altijd verheugt in uw Naam, En in uw gerechtigheid roemt.
17Perchè tu sei la gloria della lor forza; E il nostro corno è alzato per lo tuo favore.
17Want Gij zijt onze heerlijke schutse, Door uw goedheid heft onze hoorn zich omhoog:
18Perciocchè lo scudo nostro è del Signore; E il Re nostro è del Santo d'Israele.
18Want Jahweh is ons tot schild, Israëls Heilige tot Koning!
19Tu parlasti già in visione intorno al tuo Santo, E dicesti: Io ho posto l'aiuto intorno al possente; Io ho innalzato l'eletto d'infra il popolo.
19Eens hebt Gij in visioenen gesproken, En tot uw getrouwe gezegd: Ik heb een dapperen strijder gekroond, Hoog verheven een jongeman uit het volk.
20Io ho trovato Davide, mio servitore; E l'ho unto coll'olio mio santo;
20Ik heb David, mijn dienaar, gevonden, Hem met mijn heilige olie gezalfd;
21Col quale la mia mano sarà ferma; Il mio braccio eziandio lo fortificherà.
21Mijn hand houdt hem vast, En mijn arm zal hem stutten!
22Il nemico non l'oppresserà; Ed il perverso non l'affliggerà.
22Geen vijand zal hem bespringen, Geen booswicht benauwen;
23Anzi io fiaccherò i suoi nemici, cacciandoli d'innanzi a lui; E sconfiggerò quelli che l'odieranno.
23Ik leg zijn vijanden voor hem neer, En sla zijn haters tegen de grond.
24E la mia verità, e la mia benignità, saranno con lui; Ed il suo corno sarà alzato nel mio nome;
24Mijn trouw en genade zullen hem steeds vergezellen, Door mijn Naam zal zijn hoorn zich verheffen;
25E metterò la sua mano sopra il mare, E la sua destra sopra i fiumi.
25Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren.
26Egli m'invocherà, dicendo: Tu sei mio Padre, Il mio Dio, e la Rocca della mia salute.
26Hij mag tot Mij roepen: Mijn Vader zijt Gij, Mijn God en de Rots van mijn heil;
27Io altresì lo costituirò il primogenito, Il più eccelso dei re della terra.
27En Ik zal hem tot eerstgeborene verheffen, Hoog boven de koningen der aarde.
28Io gli osserverò la mia benignità in perpetuo, Ed il mio patto sarà leale inverso lui.
28Eeuwig zal Ik hem mijn genade behouden, Onverbreekbaar zal mijn verbond met hem zijn:
29E renderò la sua progenie eterna, Ed il suo trono simile a' giorni del cielo.
29Ik zal zijn geslacht laten duren voor eeuwig, Zijn troon als de dagen des hemels!
30Se i suoi figliuoli abbandonano la mia Legge, E non camminano ne' miei ordinamenti;
30En mochten zijn zonen mijn wet verzaken, En niet wandelen naar mijn geboden,
31Se violano i miei statuti, E non osservano i miei comandamenti;
31Mijn voorschriften schenden, Mijn bevel overtreden:
32Io visiterò il lor misfatto con verga, E la loro iniquità con battiture;
32Dan zal Ik wel met de roede hun misdaad bestraffen, En met slagen hun schuld,
33Ma non annullerò la mia benignità inverso lui, E non mentirò contro alla mia verità.
33Maar hèm zal Ik mijn gunst niet onthouden, En mijn trouw niet verloochenen.
34Io non violerò il mio patto, E non muterò quello che è uscito dalle mie labbra.
34Mijn verbond zal Ik nimmer verbreken, Nooit veranderen wat Ik eens heb gezegd;
35Io ho giurato una volta per la mia santità: Se io mento a Davide;
35Bij mijn heiligheid heb Ik het eens en voor altijd gezworen, En nooit breek Ik David mijn woord!
36Che la sua progenie sarà in eterno, E che il suo trono sarà come il sole nel mio cospetto;
36Zijn geslacht zal eeuwig bestaan, En zijn troon als de zon voor mijn aanschijn;
37Che sarà stabile in perpetuo, come la luna; E di ciò vi è il testimonio fedele nel cielo. (Sela.)
37Als de maan, die stand houdt voor eeuwig, En trouw in de wolken blijft staan.
38E pur tu l 'hai cacciato lungi da te , e l 'hai disdegnato; Tu ti sei gravemente adirato contro al tuo unto.
38En nu hebt Gij toch uw Gezalfde versmaad en verstoten, Tegen hem uw gramschap ontstoken;
39Tu hai annullato il patto fatto col tuo servitore; Tu hai contaminata la sua benda reale, gettendola per terra.
39Het verbond met uw dienaar verbroken, Zijn kroon vertrapt op de grond.
40Tu hai rotte tutte le sue chiusure; Tu hai messe in ruina le sue fortezze.
40Al zijn wallen hebt Gij geslecht, Zijn vestingen in puin gelegd;
41Tutti i passanti l'hanno predato; Egli è stato in vituperio a' suoi vicini.
41Iedereen plundert hem, die er voorbij gaat, En zijn buren spotten met hem.
42Tu hai alzata la destra de' suoi avversari; Tu hai rallegrati tutti i suoi nemici.
42Gij hebt de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd, En al zijn vijanden van blijdschap doen juichen,
43Tu hai eziandio rintuzzato il taglio della sua spada, E non l'hai fatto star fermo in piè nella battaglia.
43Doen wijken de kling van zijn zwaard, Hem geen stand doen houden in de strijd.
44Tu l'hai spogliato del suo splendore, Ed hai traboccato in terra il suo trono.
44Gij hebt hem van zijn glorie beroofd, Zijn troon ter aarde geworpen;
45Tu hai scorciati i giorni della sua giovanezza; Tu l'hai coperto di vergogna. (Sela.)
45De dagen verkort van zijn jeugdige kracht, En hem met schande bedekt.
46Infino a quando, o Signore, ti nasconderai tu? Ed arderà l'ira tua come un fuoco, in perpetuo?
46Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij U maar altijd verbergen, En zal uw gramschap laaien als vuur?
47Ricordati quanto poco tempo io ho da vivere nel mondo; Perchè avresti tu creati in vano tutti i figliuoli degli uomini?
47Bedenk toch, wat het leven is, Hoe vergankelijk Gij den mens hebt gemaakt.
48Chi è l'uomo che viva, senza veder mai la morte? Che scampi la sua vita di man del sepolcro? (Sela.)
48Waar leeft de man, die de dood niet zal zien, Zijn leven kan redden uit de klauw van het graf?
49Ove sono , o Signore, le tue benignità antiche, Le quali tu giurasti a Davide per la tua verita?
49Heer, waar zijn dan uw vroegere gunsten gebleven, Die Gij David bij uw trouw hadt bezworen?
50Ricordati, o Signore, del vituperio fatto a' tuoi servitori, Di quello che io porto in seno; Del vituperio fattoci da tutti i grandi popoli.
50Ach Heer, gedenk toch de smaad van uw dienaar, De hoon der volken, die ik in mijn boezem verkrop,
51Conciossiachè i tuoi nemici abbiano vituperate, o Signore, Abbiano vituperate le vestigie del tuo unto.
51Waarmee uw vijanden schimpen, o Jahweh, En uw Gezalfde tergen bij iedere stap!
52Benedetto sia il Signore in eterno. Amen, Amen.
52Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.