Salmi
Chapter 44
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmi 44

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O DIO, noi abbiamo udite colle nostre orecchie, I nostri padri ci hanno raccontate Le opere che tu operasti a' dì loro, A' dì antichi.
1Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een leerdicht. O God, wij hebben het met eigen oren gehoord, Onze vaderen hebben het ons verteld, Wat Gij gedaan hebt in hun dagen, Met eigen hand in vroeger tijd.
2Tu, col la tua mano, scacciasti le genti, e piantasti i nostri padri; Tu disertasti le nazioni, e propagginasti i nostri padri .
2Naties hebt Gij uitgeroeid om hèn te planten, Volkeren geveld, om hèn te doen groeien.
3Perciocchè essi non conquistarono il paese colla loro spada, E il braccio loro non li salvò; Anzi la tua destra, e il tuo braccio, e la luce del tuo volto; Perciocchè tu li gradivi.
3Neen, niet met hun zwaard namen zij bezit van het Land, Niet hun arm bracht hun zege: Maar het was uw rechterhand en uw arm En het licht van uw aanschijn, omdat Gij ze lief hadt.
4Tu, o Dio, sei lo stesso mio Re; Ordina le salvazioni di Giacobbe.
4Gij waart het, mijn Koning en God, Die Jakob de zege verleende;
5Per te noi cozzeremo i nostri nemici; Nel tuo Nome noi calpesteremo coloro che si levano contro a noi.
5Met úw hulp sloegen wij onze vijanden neer, Door úw Naam trapten wij onze haters tegen de grond;
6Perciocchè io non mi confido nel mio arco, E la mia spada non mi salverà.
6Neen, ik heb niet vertrouwd op mijn boog, En mijn zwaard kon de zege niet schenken.
7Anzi tu ci salverai da' nostri nemici, E renderai confusi quelli che ci odiano.
7Maar Gij hebt ons van onze verdrukkers verlost, En onze haters te schande gemaakt;
8Noi ci glorieremo tuttodì in Dio, E celebreremo il tuo Nome in perpetuo. (Sela.)
8In God mochten we steeds blijven roemen, En uw Naam in eeuwigheid prijzen!
9E pure tu ci hai scacciati, e ci hai svergognati; E non esci più co' nostri eserciti.
9Maar nú hebt Gij ons verstoten, ons te schande gemaakt, En trekt niet meer met onze heirscharen op;
10Tu ci hai fatto voltar le spalle dinanzi al nemico; E quelli che ci odiano ci hanno predati.
10Gij laat ons vluchten voor onze verdrukkers, En onze haters roven ons leeg!
11Tu ci hai ridotti ad esser come pecore da mangiare; E ci hai dispersi fra le genti.
11Gij levert ons als slachtvee uit, En verstrooit ons onder de naties;
12Tu hai venduto il tuo popolo senza danari, E non hai fatto alcuno avanzo de' lor prezzi.
12Verkoopt uw volk voor een spotprijs, En geeft het bijna voor niet!
13Tu ci hai posti in vituperio appresso i nostri vicini, In beffa, e in ischerno a quelli che stanno d'intorno a noi.
13Gij maakt ons tot smaad onzer buren, Tot spot en hoon voor die ons omringen;
14Tu ci hai messi ad essere proverbiati fra le genti, Ed hai fatto che ci è scosso il capo contro fra i popoli.
14Gij laat de heidenen over ons schimpen, De volkeren meewarig het hoofd over ons schudden.
15Il mio vituperio è tuttodì davanti a me, E la vergogna della mia faccia mi ha coperto,
15Mijn schande staat mij altijd voor ogen, En de schaamte bedekt mijn gelaat,
16Per la voce del vituperatore e dell'oltraggiatore; Per cagione del nemico e del vendicatore.
16Om de praatjes van schimper en spotter, Om de blik van vijand en hater.
17Tutto questo ci è avvenuto, e non però ti abbiamo dimenticato, E non ci siam portati dislealmente contro al tuo patto.
17En dit alles trof ons, ofschoon wij U niet hebben vergeten, En uw Verbond niet hebben verbroken.
18Il cuor nostro non si è rivolto indietro, E i nostri passi non si sono sviati da' tuoi sentieri;
18Ons hart is niet afvallig geworden, Onze schreden dwaalden niet af van uw pad;
19Quantunque tu ci abbi tritati, e messi in luogo di sciacalli; E ci abbi coperti d'ombra di morte.
19Toch hebt Gij ons naar het oord der jakhalzen verwezen, En ons met de schaduw des doods overdekt.
20Se noi avessimo dimenticato il Nome dell'Iddio nostro, Ed avessimo stese le mani ad alcun dio strano,
20Of, hadden wij de Naam van onzen God soms vergeten, Onze handen naar vreemde goden geheven:
21Iddio non ne farebbe egli inchiesta? Conciossiachè egli conosca i segreti del cuore.
21Zou God het misschien niet hebben geweten, Hij, die de hartsgeheimen doorgrondt?
22Anzi, per cagion tua siamo uccisi tuttodì, Siam reputati come pecore da macello.
22Neen, om Uwentwil blijft men ons wurgen, En worden wij als slachtvee behandeld!
23Risvegliati; perchè dormi, Signore? Destati, non iscacciar ci in perpetuo.
23Sta op dan; waarom zoudt Gij slapen, o Heer! Ontwaak; blijf ons niet altijd verstoten!
24Perchè nascondi la tua faccia? Perchè dimentichi la nostra afflizione e la nostra oppressione?
24Waarom zoudt Gij uw aanschijn verbergen, Onze nood en ellende vergeten?
25Conciossiachè la nostra anima sia abbassata fin nella polvere, E il nostro ventre sia attaccato alla terra.
25Want onze ziel ligt gebukt in het stof, En ons lichaam kleeft vast aan de grond.
26Levati in nostro aiuto, E riscuotici, per amor della tua benignità.
26Sta op, ons te hulp! Red ons om wille van uw genade!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.