Salmi 65
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O DIO, lode ti aspetta in Sion; E quivi ti saran pagati i voti.
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David; een lied. U komt een lofzang toe In Sion, o God! U moet een dankoffer worden gebracht, In Jerusalem, Heer!
2O tu ch'esaudisci i preghi, Ogni carne verrà a te.
2Gij verhoort het gebed, Alle vlees komt tot U;
3Cose inique mi avevano sopraffatto; Ma tu purghi le nostre trasgressioni.
3En al drukt onze schuld ons nog zo zwaar, Gij vergeeft onze zonden.
4Beato colui che tu avrai eletto, ed avrai fatto accostare a te . Acciocchè abiti ne' tuoi cortili! Noi saremo saziati de' beni della tua Casa, Delle cose sante del tuo Tempio.
4Gelukkig, dien Gij uitverkiest en aanneemt, Om in uw voorhof te wonen: Die ons laven aan het goede van uw huis, Van uw heilige tempel!
5O Dio della nostra salute, Confidanza di tutte le estremità le più lontane della terra e del mare, Rispondici, per la tua giustizia, in maniere tremende.
5Met wonderen verhoort Gij ons in uw trouw, O God van ons heil; Gij, de hoop van alle grenzen der aarde, En ongenaakbare zeeën!
6Esso, colla sua potenza, ferma i monti; Egli è cinto di forza.
6Gij, die de bergen door uw kracht hebt gegrond, En met macht zijt omgord;
7Egli acqueta il romor de' mari, lo strepito delle sue onde, E il tumulto de' popoli.
7Die het bulderen der zeeën bedaart, En het gebruis van haar golven. Ontsteld staan de volken,
8Onde quelli che abitano nella estremità della terra temono de' tuoi miracoli: Tu fai giubilare i luoghi, onde esce la mattina e la sera.
8Vol vrees, die de grenzen der aarde bewonen: Voor uw tekenen daar, waar de morgen gloort, En waar Gij de avond doet juichen.
9Tu visiti la terra, e l'abbeveri; Tu l'arricchisci grandemente; I ruscelli di Dio son pieni d'acqua; Tu apparecchi agli uomini il lor frumento, dopo che tu l'hai così preparata.
9Gij draagt zorg voor de aarde, En drenkt ze volop; Gij stort er een rijke zegen op uit, Gods vloed heeft altijd water genoeg. Gij maakt haar gereed voor haar koren, Zó maakt Gij ze klaar:
10Tu adacqui le sue porche; tu pareggi i suoi solchi; Tu la stempri colle stille della tua pioggia; tu benedici i suoi germogli;
10Gij drenkt haar voren, bevochtigt haar kluiten, En maakt ze door regenslag week. Dan zegent Gij haar kiemen,
11Tu coroni de' tuoi beni l'annata; E le tue orbite stillano grasso.
11En zet de kroon op het jaar van uw goedheid: Uw voetstappen druipen van vet,
12Le mandrie del deserto stillano; E i colli son cinti di gioia.
12Zelfs de vlakten der steppen druipen er van. De heuvels zijn met gejubel omgord,
13Le pianure son rivestite di gregge, E le valli coperte di biade; Dànno voci di allegrezza, ed anche cantano.
13De weiden met kudden bekleed, De dalen met koren getooid: Ze juichen en zingen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.