Salmi 55
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O DIO, porgi l'orecchio alla mia orazione; E non nasconderti dalla mia supplicazione.
1Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een leerdicht van David. Hoor toch, o God, naar mijn bidden, En wend U niet af van mijn smeken;
2Attendi a me, e rispondimi; Io mi lagno nella mia orazione, e romoreggio;
2Luister naar mij, en schenk mij verhoring: Van ellende loop ik radeloos rond.
3Per lo gridar del nemico, per l'oppressione dell'empio; Perciocchè essi mi traboccano addosso delle calamità, E mi nimicano con ira.
3Ik sidder voor het geschreeuw van den vijand, En het gehuil van den boze; Want ze storten rampen over mij uit, En bestoken mij grimmig.
4Il mio cuore è angosciato dentro di me; E spaventi mortali mi sono caduti addosso.
4Mijn hart krimpt in mijn boezem, En doodsangst bekruipt mij;
5Paura e tremito mi è sopraggiunto; E terrore mi ha coperto.
5Vrees en ontzetting houden mij beklemd, En de schrik grijpt mij aan.
6Onde io ho detto: Oh! avessi io delle ale, come le colombe! Io me ne volerei, e mi riparerei in alcun luogo .
6Ik dacht: Had ik maar vleugels als een duif, Dan vloog ik heen, om een wijkplaats te vinden;
7Ecco, io me ne fuggirei lontano; Io dimorerei nel deserto. (Sela.)
7Ver, ver weg zou ik vluchten, En een rustoord zoeken in de woestijn.
8Io mi affretterei di scampare Dal vento impetuoso e dal turbo.
8Ik zou mij haastig in veiligheid stellen Voor de razende storm,
9Disperdi li , Signore; dividi le lor lingue; Perciocchè io ho vedute violenze e risse nella città.
9Voor de wervelstorm, Heer, En voor de stortvloed van hun tongen. Want ik zie geweld ontketend, En de strijd tegen de stad;
10Essa n'è circondata d'intorno alle sue mura, giorno e notte; E in mezzo ad essa vi è iniquità ed ingiuria.
10Dag en nacht trekken ze om haar heen, Over haar wallen. Daarbinnen heerst onrecht en knevelarij,
11Dentro di essa non vi è altro che malizie; Frodi ed inganni non si muovono dalle sue piazze.
11En de misdaad troont in haar midden; En van haar pleinen wijkt Geweld noch bedrog.
12Perciocchè non è stato un mio nemico che mi ha fatto vituperio; Altrimenti, io l'avrei comportato; Non è stato uno che mi avesse in odio che si è levato contro a me; Altrimenti, io mi sarei nascosto da lui.
12En was het een vijand, die mij beschimpte, Ik zou het verdragen; Of een van mijn haters, die mij hoonde, Ik zou mij verschuilen.
13Anzi, sei stato tu, ch'eri , secondo la mia estimazione, Il mio conduttore, ed il mio famigliare.
13Maar gij, een man van mijn stam, Mijn vriend en mijn makker,
14Che comunicavamo dolcemente insieme i nostri segreti, E andavamo di compagnia nella Casa di Dio.
14Met wien ik vertrouwelijk omging, Eendrachtig leefde in Gods huis!
15Metta loro la morte la mano addosso, Scendano sotterra tutti vivi; Perciocchè nel mezzo di loro, nelle lor dimore, non vi è altro che malvagità.
15Moge de dood ze verrassen, Zodat ze levend in het dodenrijk dalen! Want boosheid heerst in hun woning, En slechtheid in hun gemoed.
16Quant'è a me, io griderò a Dio, E il Signore mi salverà.
16Maar ìk roep tot God, En Jahweh komt mij te hulp.
17La sera, la mattina, e in sul mezzodì, io orerò e romoreggerò; Ed egli udirà la mia voce.
17‘s Avonds, ‘s morgens en ‘s middags klaag ik en zucht ik, En Hij hoort naar mijn smeken.
18Egli riscuoterà l'anima mia dall'assalto che mi è dato, E la metterà in pace; Perciocchè essi son contro a me in gran numero.
18Hij zal mij vrede schenken, mij van mijn belagers bevrijden, Al staan ze nog zo talrijk tegen mij op.
19Iddio mi udirà, e li abbatterà; Egli, dico , che dimora in ogni eternità; (Sela.) Perciocchè giammai non si mutano, E non temono Iddio.
19God verhoort mij: Hij zal ze vernederen, Hij, die van eeuwigheid op zijn troon is gezeten. Want ze zijn onverbeterlijk, En vrezen God niet;
20Hanno messa la mano addosso a quelli che vivevano in buona pace con loro; Hanno rotto il lor patto.
20Ze slaan de hand aan hun vrienden, En schenden hun trouw.
21Le lor bocche son più dolci che burro; Ma ne 'cuori loro vi è guerra; Le lor parole son più morbide che olio, Ma son tante coltellate.
21Hun mond is gladder dan boter, Maar vijandig hun hart; Hun woorden zijn zachter dan olie, Maar steken als dolken.
22Rimetti nel Signore il tuo peso, ed egli ti sosterrà; Egli non permetterà giammai che il giusto caggia.
22Werp daarom uw kommer op Jahweh, Hij zal voor u zorgen; En nooit zal Hij dulden, Dat de rechtvaardige wankelt.
23Ma tu, o Dio, farai scender coloro nel pozzo della perdizione; Gli uomini di sangue e di frode Non compieranno a mezzo i giorni loro; Ma io mi confiderò in te.
23Maar stort in het diepst van het graf, o mijn God, Die mannen van bloed en bedrog; Laat ze de helft van hun dagen niet zien, Doch laat mìj op U blijven hopen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.