Psalms 55
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Unto the end, for a people that is removed at a distance from the sanctuary for David, for an inscription of a title (or pillar) when the Philistines held him in Geth.
1Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een leerdicht van David. Hoor toch, o God, naar mijn bidden, En wend U niet af van mijn smeken;
2Have mercy on me, O God, for man hath trodden me under foot; all the day long he hath afflicted me fighting against me.
2Luister naar mij, en schenk mij verhoring: Van ellende loop ik radeloos rond.
3My enemies have trodden on me all the day long; for they are many that make war against me.
3Ik sidder voor het geschreeuw van den vijand, En het gehuil van den boze; Want ze storten rampen over mij uit, En bestoken mij grimmig.
4From the height of the day I shall fear: but I will trust in thee.
4Mijn hart krimpt in mijn boezem, En doodsangst bekruipt mij;
5In God I will praise my words, in God I have put my trust: I will not fear what flesh can do against me.
5Vrees en ontzetting houden mij beklemd, En de schrik grijpt mij aan.
6All the day long they detested my words: all their thoughts were against me unto evil.
6Ik dacht: Had ik maar vleugels als een duif, Dan vloog ik heen, om een wijkplaats te vinden;
7They will dwell and hide themselves: they will watch my heel. As they have waited for my soul,
7Ver, ver weg zou ik vluchten, En een rustoord zoeken in de woestijn.
8For nothing shalt thou save them: in thy anger thou shalt break the people in pieces, O God,
8Ik zou mij haastig in veiligheid stellen Voor de razende storm,
9I have declared to thee my life: thou hast set my tears in thy sight, As also in thy promise.
9Voor de wervelstorm, Heer, En voor de stortvloed van hun tongen. Want ik zie geweld ontketend, En de strijd tegen de stad;
10Then shall my enemies be turned back. In what day soever I shall call upon thee, behold I know thou art my God.
10Dag en nacht trekken ze om haar heen, Over haar wallen. Daarbinnen heerst onrecht en knevelarij,
11In God will I praise the word, in the Lord will I praise his speech. In God have I hoped, I will not fear what man can do to me.
11En de misdaad troont in haar midden; En van haar pleinen wijkt Geweld noch bedrog.
12In me, O God, are vows to thee, which I will pay, praises to thee:
12En was het een vijand, die mij beschimpte, Ik zou het verdragen; Of een van mijn haters, die mij hoonde, Ik zou mij verschuilen.
13Because thou hast delivered my soul from death, my feet from falling: that I may please in the sight of God, in the light of the living.
13Maar gij, een man van mijn stam, Mijn vriend en mijn makker,
no verse 14 in this text
14Met wien ik vertrouwelijk omging, Eendrachtig leefde in Gods huis!
no verse 15 in this text
15Moge de dood ze verrassen, Zodat ze levend in het dodenrijk dalen! Want boosheid heerst in hun woning, En slechtheid in hun gemoed.
no verse 16 in this text
16Maar ìk roep tot God, En Jahweh komt mij te hulp.
no verse 17 in this text
17‘s Avonds, ‘s morgens en ‘s middags klaag ik en zucht ik, En Hij hoort naar mijn smeken.
no verse 18 in this text
18Hij zal mij vrede schenken, mij van mijn belagers bevrijden, Al staan ze nog zo talrijk tegen mij op.
no verse 19 in this text
19God verhoort mij: Hij zal ze vernederen, Hij, die van eeuwigheid op zijn troon is gezeten. Want ze zijn onverbeterlijk, En vrezen God niet;
no verse 20 in this text
20Ze slaan de hand aan hun vrienden, En schenden hun trouw.
no verse 21 in this text
21Hun mond is gladder dan boter, Maar vijandig hun hart; Hun woorden zijn zachter dan olie, Maar steken als dolken.
no verse 22 in this text
22Werp daarom uw kommer op Jahweh, Hij zal voor u zorgen; En nooit zal Hij dulden, Dat de rechtvaardige wankelt.
no verse 23 in this text
23Maar stort in het diepst van het graf, o mijn God, Die mannen van bloed en bedrog; Laat ze de helft van hun dagen niet zien, Doch laat mìj op U blijven hopen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.