Psalms
Chapter 40
Douay-Rheims Bible, Amer…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Unto the end, a psalm for David himself.
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Vol vertrouwen heb ik op Jahweh gehoopt; Hij boog tot mij neer, en verhoorde mijn smeken.
2Blessed is he that understandeth concerning the needy and the poor: the Lord will deliver him in the evil day.
2Hij trok mij uit de poel van bederf, uit modder en slijk, Zette mijn voeten op een rots, en gaf mij weer een vaste stap:
3The Lord preserve him and give him life, and make him blessed upon the earth: and deliver him not up to the will of his enemies.
3Hij legde een nieuw lied in mijn mond, Een jubelzang voor onzen God! Mogen velen het zien vol ontzag, En met vertrouwen op Jahweh worden vervuld!
4The Lord help him on his bed of sorrow: thou hast turned all his couch in his sickness.
4Gelukkig de man, die op Jahweh vertrouwt, En zich niet tot monsters wendt en tot valse gedrochten.
5I said: O Lord, be thou merciful to me: heal my soul, for I have sinned against thee.
5Ontzaglijke wonderen hebt Gij gewrocht, O Jahweh, mijn God; En in uw raadsbesluiten over ons Kan niemand zich met U meten. Ik zou ze willen verhalen en melden, Maar ze zijn niet te tellen.
6My enemies have spoken evils against me: when shall he die and his name perish?
6Slacht- en spijsoffers wilt Gij niet, Maar Gij hebt mij de oren geopend; Brand- en zoenoffers eist Gij niet,
7And if he came in to see me, he spoke vain things: his heart gathered together iniquity to itself. He went out and spoke to the same purpose.
7Daarom zeg ik: “Zie, ik kom!” In de boekrol staat mij voorgeschreven,
8All my enemies whispered together against me: they devised evils to me.
8Uw wil te volbrengen: Mijn God, dit is mijn hartewens, En in mijn boezem draag ik uw Wet.
9They determined against me an unjust word: shall he that sleepeth rise again no more?
9Uw goedertierenheid heb ik verkondigd In de grote gemeente; Ik hield mijn lippen niet gesloten, Jahweh, Gij weet het!
10For even the man of peace, in whom I trusted, who ate my bread, hath greatly supplanted me.
10Uw gerechtigheid verborg ik niet in mijn hart, Uw trouw en hulp sprak ik openlijk uit; Uw liefde en gunst heb ik nimmer verzwegen Voor de talloze schare!
11But thou, O Lord, have mercy on me, and raise me up again: and I will requite them.
11Jahweh, onthoud mij nu ook uw barmhartigheid niet, Maar laat uw liefde en gunst mij altijd behoeden.
12By this I know, that thou hast had a good will for me: because my enemy shall not rejoice over me.
12Want van alle kanten omringen mij rampen: Ik kan ze niet tellen; Mijn zonden hebben mij achterhaald: Ik kan ze niet overzien; Ze zijn talrijker dan het haar op mijn hoofd, Zodat de moed mij ontzinkt.
13But thou hast upheld me by reason of my innocence: and hast established me in thy sight for ever.
13Gewaardig U, Jahweh, mij te verlossen; Jahweh, snel mij te hulp!
14Blessed by the Lord the God of Israel from eternity to eternity. So be it. So be it.
14Laat smaad en ontering hen treffen, Die mijn leven belagen; Laat ze vluchten met schande, Die zich vrolijk over mijn ongeluk maken,
no verse 15 in this text
15En verstarren van schaamte, Die tot mij roepen: “Ha, ha!”
no verse 16 in this text
16Maar in U mogen jubelen en juichen, Al die U zoeken; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot!” Die verlangend zijn naar uw heil.
no verse 17 in this text
17Ik ben wel ellendig en arm, Maar de Heer zal mijner gedenken. Gij zijt mijn helper en redder: Toef niet, mijn God!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.