Salmos
Chapter 40
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Esperei pacientemente pelo SENHOR. Ele se inclinou para mim e ouviu o meu clamor.
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Vol vertrouwen heb ik op Jahweh gehoopt; Hij boog tot mij neer, en verhoorde mijn smeken.
2Ele também me tirou de um poço de destruição, do barro lamacento. Ele colocou os meus pés sobre uma rocha, e firmou os meus passos.
2Hij trok mij uit de poel van bederf, uit modder en slijk, Zette mijn voeten op een rots, en gaf mij weer een vaste stap:
3Ele pôs um novo cântico na minha boca, um louvor ao nosso Deus. Muitos verão isso, temerão, e confiarão no SENHOR.
3Hij legde een nieuw lied in mijn mond, Een jubelzang voor onzen God! Mogen velen het zien vol ontzag, En met vertrouwen op Jahweh worden vervuld!
4Bem-aventurado é o homem que faz do SENHOR a sua confiança, e não respeita os orgulhosos, nem os que se desviam para a mentira.
4Gelukkig de man, die op Jahweh vertrouwt, En zich niet tot monsters wendt en tot valse gedrochten.
5Muitas, SENHOR, meu Deus, são as maravilhas que tu fizeste, e os teus pensamentos para conosco. Não é possível relatá-los a ti. Se eu quisesse declará-los e falar deles, são mais do que se pode contar.
5Ontzaglijke wonderen hebt Gij gewrocht, O Jahweh, mijn God; En in uw raadsbesluiten over ons Kan niemand zich met U meten. Ik zou ze willen verhalen en melden, Maar ze zijn niet te tellen.
6Sacrifício e oferta tu não desejaste. Tu abriste os meus ouvidos. Tu não exigiste holocausto e oferta pelo pecado.
6Slacht- en spijsoffers wilt Gij niet, Maar Gij hebt mij de oren geopend; Brand- en zoenoffers eist Gij niet,
7Então eu disse: “Eis que eu venho. Está escrito sobre mim no rolo do livro.
7Daarom zeg ik: “Zie, ik kom!” In de boekrol staat mij voorgeschreven,
8Tenho prazer em fazer a tua vontade, meu Deus. Sim, a tua lei está no meu coração.”
8Uw wil te volbrengen: Mijn God, dit is mijn hartewens, En in mijn boezem draag ik uw Wet.
9Eu proclamei as boas-novas de justiça na grande congregação. Eis que não selarei os meus lábios, SENHOR, tu o sabes.
9Uw goedertierenheid heb ik verkondigd In de grote gemeente; Ik hield mijn lippen niet gesloten, Jahweh, Gij weet het!
10Não escondi a tua justiça no meu coração. Eu declarei a tua fidelidade e a tua salvação. Não ocultei o teu amor leal e a tua verdade da grande congregação.
10Uw gerechtigheid verborg ik niet in mijn hart, Uw trouw en hulp sprak ik openlijk uit; Uw liefde en gunst heb ik nimmer verzwegen Voor de talloze schare!
11Não retenhas de mim as tuas ternas misericórdias, SENHOR. Que o teu amor leal e a tua verdade me preservem continuamente.
11Jahweh, onthoud mij nu ook uw barmhartigheid niet, Maar laat uw liefde en gunst mij altijd behoeden.
12Pois males inumeráveis me cercaram. Minhas iniquidades me alcançaram, de modo que não consigo olhar para cima. Elas são mais numerosas do que os cabelos da minha cabeça. O meu coração desfaleceu.
12Want van alle kanten omringen mij rampen: Ik kan ze niet tellen; Mijn zonden hebben mij achterhaald: Ik kan ze niet overzien; Ze zijn talrijker dan het haar op mijn hoofd, Zodat de moed mij ontzinkt.
13Agrada-te, SENHOR, em me livrar. Apressa-te em me ajudar, SENHOR.
13Gewaardig U, Jahweh, mij te verlossen; Jahweh, snel mij te hulp!
14Sejam envergonhados e confundidos juntos os que buscam a minha alma para destruí-la. Sejam obrigados a recuar e levados à desonra os que se alegram com o meu mal.
14Laat smaad en ontering hen treffen, Die mijn leven belagen; Laat ze vluchten met schande, Die zich vrolijk over mijn ongeluk maken,
15Fiquem desolados por causa da sua vergonha os que me dizem: “Ah! Ah!”
15En verstarren van schaamte, Die tot mij roepen: “Ha, ha!”
16Que todos os que te buscam se regozijem e se alegrem em ti. Que aqueles que amam a tua salvação digam continuamente: “Exaltado seja o SENHOR!”
16Maar in U mogen jubelen en juichen, Al die U zoeken; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot!” Die verlangend zijn naar uw heil.
17Mas eu sou pobre e necessitado. Que o Senhor pense em mim. Tu és o meu auxílio e o meu libertador. Não te demores, meu Deus.
17Ik ben wel ellendig en arm, Maar de Heer zal mijner gedenken. Gij zijt mijn helper en redder: Toef niet, mijn God!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.