Salmos 14
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O tolo disse em seu coração: “Não há Deus.” Eles são corruptos. Eles cometeram atos abomináveis. Não há ninguém que faça o bem.
1Voor muziekbegeleiding. Van David. De dwaas zegt bij zichzelf: “Er is geen God!” Slecht en schandelijk is zijn gedrag; Er is niemand, die het goede behartigt.
2O SENHOR olhou do céu para os filhos dos homens, para ver se havia alguém que entendesse, que buscasse a Deus.
2Jahweh blikt uit de hemelen neer Op de kinderen der mensen: Om te zien, of er niet één verstandige is, Niet één, die God zoekt.
3Todos se desviaram. Juntamente se corromperam. Não há ninguém que faça o bem, não, nem sequer um.
3Maar àllen zijn ze afgedwaald, Allen even bedorven; Er is niemand, die het goede behartigt, Geen enkele zelfs!
4Será que todos os que praticam a iniquidade não têm conhecimento, que devoram o meu povo como quem come pão, e não invocam o SENHOR?
4Worden al die zondaars dan nimmer verstandig: Ze blijven mijn volk maar verslinden, En het brood van Jahweh wel eten, Maar ze vereren Hem niet.
5Ali estavam em grande temor, pois Deus está na geração dos justos.
5Maar, dan zullen ze beven van angst, Als Jahweh het opneemt voor het vrome geslacht;
6Vocês frustram o plano do pobre, porque o SENHOR é o seu refúgio.
6De wijsheid van den eenvoudige zal hem beschamen, Omdat deze op Jahweh zijn hoop heeft gesteld.
7Ah, se a salvação de Israel viesse de Sião! Quando o SENHOR restaurar a sorte do seu povo, então Jacó se regozijará, e Israel se alegrará.
7Ach, dat uit Sion Israëls redding mocht dagen, Als Jahweh het lot van zijn volk ten beste keert: Dan zal Jakob jubelen, En Israël juichen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.