Psalmorum 14
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Psalmus David. [Domine, quis habitabit in tabernaculo tuo? aut quis requiescet in monte sancto tuo?
1Voor muziekbegeleiding. Van David. De dwaas zegt bij zichzelf: “Er is geen God!” Slecht en schandelijk is zijn gedrag; Er is niemand, die het goede behartigt.
2Qui ingreditur sine macula, et operatur justitiam;
2Jahweh blikt uit de hemelen neer Op de kinderen der mensen: Om te zien, of er niet één verstandige is, Niet één, die God zoekt.
3qui loquitur veritatem in corde suo: qui non egit dolum in lingua sua, nec fecit proximo suo malum, et opprobrium non accepit adversus proximos suos.
3Maar àllen zijn ze afgedwaald, Allen even bedorven; Er is niemand, die het goede behartigt, Geen enkele zelfs!
4Ad nihilum deductus est in conspectu ejus malignus; timentes autem Dominum glorificat. Qui jurat proximo suo, et non decipit;
4Worden al die zondaars dan nimmer verstandig: Ze blijven mijn volk maar verslinden, En het brood van Jahweh wel eten, Maar ze vereren Hem niet.
5qui pecuniam suam non dedit ad usuram, et munera super innocentem non accepit: qui facit hæc non movebitur in æternum.]
5Maar, dan zullen ze beven van angst, Als Jahweh het opneemt voor het vrome geslacht;
no verse 6 in this text
6De wijsheid van den eenvoudige zal hem beschamen, Omdat deze op Jahweh zijn hoop heeft gesteld.
no verse 7 in this text
7Ach, dat uit Sion Israëls redding mocht dagen, Als Jahweh het lot van zijn volk ten beste keert: Dan zal Jakob jubelen, En Israël juichen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.