Psalmorum 112
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Alleluja. [Laudate, pueri, Dominum; laudate nomen Domini.
1Halleluja! Heil den man, die Jahweh vreest, En zijn geboden van harte bemint:
2Sit nomen Domini benedictum ex hoc nunc et usque in sæculum.
2Zijn kroost zal machtig op aarde zijn, Het geslacht der vromen zal worden gezegend.
3A solis ortu usque ad occasum laudabile nomen Domini.
3Welvaart en rijkdom bewonen zijn huis, En zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand;
4Excelsus super omnes gentes Dominus, et super cælos gloria ejus.
4De vromen gaat een licht in de duisternis op, Hem, die genadig, barmhartig en rechtvaardig zal zijn.
5Quis sicut Dominus Deus noster, qui in altis habitat,
5Heil den man, die weggeeft en leent, En zijn zaken beheert volgens recht;
6et humilia respicit in cælo et in terra?
6Want in eeuwigheid zal de rechtvaardige niet wankelen, En hij blijft in de herinnering voor eeuwig.
7Suscitans a terra inopem, et de stercore erigens pauperem:
7Voor kwade geruchten is hij niet bang; Zijn hart blijft rotsvast op Jahweh vertrouwen,
8ut collocet eum cum principibus, cum principibus populi sui.
8Onverstoorbaar, onbevreesd, Totdat hij op zijn vijanden neerziet.
9Qui habitare facit sterilem in domo, matrem filiorum lætantem.]
9Milddadig deelt hij aan de armen uit: Zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand, En zijn hoorn verheft zich in ere.
no verse 10 in this text
10De boze ziet het vol afgunst, En knarsetandend gaat hij te gronde: Nooit wordt de wens der bozen vervuld!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.