Psalmorum
Chapter 7
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psalmorum 7

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Psalmus David, quem cantavit Domino pro verbis Chusi, filii Jemini.
1Een klaaglied van David, dat hij Jahweh toezong naar aanleiding van Koesj, den Benjamiet. Jahweh, mijn God, tot U neem ik mijn toevlucht; Help mij, en verlos mij van al mijn vervolgers,
2[Domine Deus meus, in te speravi; salvum me fac ex omnibus persequentibus me, et libera me:
2Opdat ze mij niet als leeuwen verscheuren, En wegslepen, reddeloos verloren.
3nequando rapiat ut leo animam meam, dum non est qui redimat, neque qui salvum faciat.
3Jahweh, mijn God, als ik dat zelf heb gedaan, Als er onrecht kleeft aan mijn handen,
4Domine Deus meus, si feci istud, si est iniquitas in manibus meis,
4Als ik kwaad heb vergolden hem, die het mij aandeed, Heb uitgeplunderd, die mij zonder reden bestreed:
5si reddidi retribuentibus mihi mala, decidam merito ab inimicis meis inanis.
5Laat dan de vijand mij achtervolgen, Totdat hij me grijpt; Mijn leven op de grond vertrappen, Mijn eer vergooien in het slijk.
6Persequatur inimicus animam meam, et comprehendat; et conculcet in terra vitam meam, et gloriam meam in pulverem deducat.
6Maar nu, o Jahweh, sta op in uw toorn, Verhef U tegen mijn grimmigen vijand; Waak op tot het oordeel, dat Gij zelf hebt gewild,
7Exsurge, Domine, in ira tua, et exaltare in finibus inimicorum meorum: et exsurge, Domine Deus meus, in præcepto quod mandasti,
7Laat de scharen der volken U omringen! Span de vierschaar over haar in den hoge,
8et synagoga populorum circumdabit te: et propter hanc in altum regredere:
8Als rechter der volken, o Jahweh; Doe mij recht, Jahweh, naar mijn gerechtigheid En naar de onschuld mijns harten.
9Dominus judicat populos. Judica me, Domine, secundum justitiam meam, et secundum innocentiam meam super me.
9Maak een einde aan de boosheid der zondaars, Maar laat de rechtvaardige blijven bestaan! Gij zijt het, die harten en nieren doorgrondt, Rechtvaardige God!
10Consumetur nequitia peccatorum, et diriges justum, scrutans corda et renes, Deus.
10Het is God, die mijn schild draagt, Die redt de oprechten van hart;
11Justum adjutorium meum a Domino, qui salvos facit rectos corde.
11Maar ook een rechtvaardig rechter is God, Een God, wiens gramschap voortdurend blijft dreigen.
12Deus judex justus, fortis, et patiens; numquid irascitur per singulos dies?
12Bekeert men zich niet, dan scherpt Hij zijn zwaard, Dan spant en richt Hij zijn boog,
13Nisi conversi fueritis, gladium suum vibrabit; arcum suum tetendit, et paravit illum.
13Houdt moordende wapens gereed, Maakt zijn pijlen als brandende schichten.
14Et in eo paravit vasa mortis, sagittas suas ardentibus effecit.
14Ziet, die met valsheid bevrucht is en zwanger van onheil, Baart enkel ontgoocheling;
15Ecce parturiit injustitiam; concepit dolorem, et peperit iniquitatem.
15Die een put graaft en uitdiept, Valt in de kuil, die hij delft.
16Lacum aperuit, et effodit eum; et incidit in foveam quam fecit.
16Zo keert zijn onrecht op zijn eigen hoofd terug, Valt op eigen schedel zijn misdaad!
17Convertetur dolor ejus in caput ejus, et in verticem ipsius iniquitas ejus descendet.
17Dan zal ik Jahweh om zijn gerechtigheid prijzen, De naam van Jahweh, den Allerhoogste, bezingen!
18Confitebor Domino secundum justitiam ejus, et psallam nomini Domini altissimi.]
no verse 18 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.