Psalmorum 52
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1In finem, pro Maëleth intelligentiæ David. [Dixit insipiens in corde suo: Non est Deus.
1Voor muziekbegeleiding. Een leerdicht van David, nadat Doëg, de Edomiet aan Saül was gaan melden: “David is in het huis van Achimélek gekomen.” Wat pocht gij op boosheid, En snoeft gij op onrecht,
2Corrupti sunt, et abominabiles facti sunt in iniquitatibus; non est qui faciat bonum.
2Broedt gij voortdurend op onheil, Is uw tong als een vlijmscherp, verraderlijk mes?
3Deus de cælo prospexit super filios hominum, ut videat si est intelligens, aut requirens Deum.
3Gij kiest wat kwaad is boven het goede, De leugen boven de waarheid;
4Omnes declinaverunt; simul inutiles facti sunt: non est qui faciat bonum, non est usque ad unum.
4Gij houdt alleen van verwarrende woorden, En bedriegelijke taal.
5Nonne scient omnes qui operantur iniquitatem, qui devorant plebem meam ut cibum panis?
5Daarom zal God u vernielen, U weggooien eens en voor al, U wegsleuren uit uw tent, Uw wortel uit het land der levenden rukken.
6Deum non invocaverunt; illic trepidaverunt timore, ubi non erat timor. Quoniam Deus dissipavit ossa eorum qui hominibus placent: confusi sunt, quoniam Deus sprevit eos.
6De rechtvaardigen zullen het huiverend zien, en over hem lachen:
7Quis dabit ex Sion salutare Israël? cum converterit Deus captivitatem plebis suæ, exsultabit Jacob, et lætabitur Israël.]
7“Daar is nu de man, die zijn kracht niet in God heeft gezocht, Maar die op zijn grote rijkdom vertrouwde, En zich op zijn schatten beroemde!”
no verse 8 in this text
8Maar ik ben als een bloeiende olijf in Gods huis, En vertrouw op Gods goedheid voor eeuwig en immer.
no verse 9 in this text
9Eeuwig zal ik U danken, omdat het úw werk is geweest, En de goedheid van uw Naam voor uw vromen verkonden!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.