Psalmorum
Chapter 38
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psalmorum 38

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1In finem, ipsi Idithun. Canticum David.
1Van David; bij het herinneringsoffer. Jahweh, tuchtig mij niet in uw toorn, Kastijd mij niet in uw gramschap:
2[Dixi: Custodiam vias meas: ut non delinquam in lingua mea. Posui ori meo custodiam, cum consisteret peccator adversum me.
2Want uw pijlen hebben mij getroffen, Uw hand drukt zwaar op mij neer.
3Obmutui, et humiliatus sum, et silui a bonis; et dolor meus renovatus est.
3Er is geen gezonde plek aan mijn vlees om uw toorn, Niets gaafs aan mijn gebeente om mijn zonden;
4Concaluit cor meum intra me; et in meditatione mea exardescet ignis.
4Want mijn misdaden stapelen zich op mijn hoofd, En drukken mij neer als een loodzware last.
5Locutus sum in lingua mea: Notum fac mihi, Domine, finem meum, et numerum dierum meorum quis est, ut sciam quid desit mihi.
5Mijn wonden stinken en dragen Om mijn verdwazing;
6Ecce mensurabiles posuisti dies meos, et substantia mea tamquam nihilum ante te. Verumtamen universa vanitas, omnis homo vivens.
6Ik ga gebukt en geknakt, Loop heel de dag maar treurend rond.
7Verumtamen in imagine pertransit homo; sed et frustra conturbatur: thesaurizat, et ignorat cui congregabit ea.
7Mijn lenden zijn aan alle kanten ontstoken, Geen gezonde plek aan mijn vlees;
8Et nunc quæ est exspectatio mea: nonne Dominus? et substantia mea apud te est.
8Ik ben uitgeput en gebroken, En snik het uit door het gekerm van mijn hart.
9Ab omnibus iniquitatibus meis erue me: opprobrium insipienti dedisti me.
9Heer, al mijn jammeren is U bekend, Mijn zuchten voor U niet verborgen;
10Obmutui, et non aperui os meum, quoniam tu fecisti;
10Wild bonst mijn hart, de kracht ontzinkt mij, Zelfs het licht van mijn ogen is heen.
11amove a me plagas tuas.
11Mijn vrienden en makkers keren zich af om mijn plagen, En mijn verwanten staan op een afstand te spotten;
12A fortitudine manus tuæ ego defeci in increpationibus: propter iniquitatem corripuisti hominem. Et tabescere fecisti sicut araneam animam ejus: verumtamen vane conturbatur omnis homo.
12Die mijn leven belagen en mijn ongeluk zoeken, Bespreken mijn val, en belasteren mij de hele dag.
13Exaudi orationem meam, Domine, et deprecationem meam; auribus percipe lacrimas meas. Ne sileas, quoniam advena ego sum apud te, et peregrinus sicut omnes patres mei.
13Maar ik ben als een dove, die het niet hoort, Als een stomme, die zijn mond niet opent,
14Remitte mihi, ut refrigerer priusquam abeam et amplius non ero.]
14Als een man, die niet luistert, En wiens mond geen antwoord meer weet.
no verse 15 in this text
15Neen, Jahweh, ik verlaat mij op U: Antwoord Gij, mijn Heer en mijn God;
no verse 16 in this text
16Want ik vrees, dat men zich vrolijk over mij maakt, Een grote mond tegen mij zet, nu mijn voeten wankelen.
no verse 17 in this text
17Ja, ieder ogenblik dreig ik te vallen, Mijn ellende staat mij steeds voor de geest;
no verse 18 in this text
18Want ik moet wel mijn misdaad bekennen, En bekommerd zijn over mijn schuld.
no verse 19 in this text
19En machtig zijn ook, die zonder reden mijn vijanden zijn, Talrijk, die mij onverdiend haten,
no verse 20 in this text
20Die goed vergelden met kwaad, Mij ondanks mijn beste bedoeling bestrijden.
no verse 21 in this text
21Jahweh, verlaat mij dus niet; Mijn God, blijf niet verre van mij!
no verse 22 in this text
22Kom mij spoedig te hulp, Mijn Heer en mijn Heil!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.