Psalmorum
Chapter 105
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psalmorum 105

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Alleluja. [Confitemini Domino, quoniam bonus, quoniam in sæculum misericordia ejus.
1Halleluja! Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
2Quis loquetur potentias Domini; auditas faciet omnes laudes ejus?
2Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
3Beati qui custodiunt judicium, et faciunt justitiam in omni tempore.
3Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders!
4Memento nostri, Domine, in beneplacito populi tui; visita nos in salutari tuo:
4Wendt u tot Jahweh en zijn macht, Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
5ad videndum in bonitate electorum tuorum; ad lætandum in lætitia gentis tuæ: ut lauderis cum hæreditate tua.
5Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
6Peccavimus cum patribus nostris: injuste egimus; iniquitatem fecimus.
6Gij kinderen van Abraham, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
7Patres nostri in Ægypto non intellexerunt mirabilia tua; non fuerunt memores multitudinis misericordiæ tuæ. Et irritaverunt ascendentes in mare, mare Rubrum;
7Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
8et salvavit eos propter nomen suum, ut notam faceret potentiam suam.
8Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
9Et increpuit mare Rubrum et exsiccatum est, et deduxit eos in abyssis sicut in deserto.
9Het verbond, met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
10Et salvavit eos de manu odientium, et redemit eos de manu inimici.
10En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
11Et operuit aqua tribulantes eos; unus ex eis non remansit.
11Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel.”
12Et crediderunt verbis ejus, et laudaverunt laudem ejus.
12Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
13Cito fecerunt; obliti sunt operum ejus: et non sustinuerunt consilium ejus.
13En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
14Et concupierunt concupiscentiam in deserto, et tentaverunt Deum in inaquoso.
14Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
15Et dedit eis petitionem ipsorum, et misit saturitatem in animas eorum.
15“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
16Et irritaverunt Moysen in castris; Aaron, sanctum Domini.
16En toen Hij honger in het land had ontboden, Alle broodstokken stuk had geslagen,
17Aperta est terra, et deglutivit Dathan, et operuit super congregationem Abiron.
17Zond Hij een man voor hen uit, Werd Josef verkocht als een slaaf;
18Et exarsit ignis in synagoga eorum: flamma combussit peccatores.
18Men sloeg zijn voeten in boeien, In ijzeren ketens werd hij gekluisterd.
19Et fecerunt vitulum in Horeb, et adoraverunt sculptile.
19Maar toen eindelijk zijn voorzegging vervuld was, En Jahweh’s uitspraak hem in het gelijk had gesteld,
20Et mutaverunt gloriam suam in similitudinem vituli comedentis fœnum.
20Beval de koning, hem te bevrijden, Liet de heerser der volken hem los;
21Obliti sunt Deum qui salvavit eos; qui fecit magnalia in Ægypto,
21Hij stelde hem aan tot heer van zijn huis, Tot bestuurder van heel zijn bezit.
22mirabilia in terra Cham, terribilia in mari Rubro.
22En terwijl hij diens vorsten door zijn geest onderrichtte, En wijsheid leerde aan zijn oudsten,
23Et dixit ut disperderet eos, si non Moyses, electus ejus, stetisset in confractione in conspectu ejus, ut averteret iram ejus, ne disperderet eos.
23Trok Israël Egypte binnen, Werd Jakob gast in het land van Cham.
24Et pro nihilo habuerunt terram desiderabilem; non crediderunt verbo ejus.
24Daar liet Hij zijn volk heel vruchtbaar worden, Veel talrijker dan zijn verdrukkers.
25Et murmuraverunt in tabernaculis suis; non exaudierunt vocem Domini.
25Maar toen hun hart verstarde, en zij zijn volk gingen haten, En trouweloos zijn dienaren kwelden,
26Et elevavit manum suam super eos ut prosterneret eos in deserto:
26Zond Hij Moses, zijn dienstknecht, Aäron, dien Hij zelf had gekozen;
27et ut dejiceret semen eorum in nationibus, et dispergeret eos in regionibus.
27En zij verrichtten zijn tekenen onder hen, En wonderen in het land van Cham.
28Et initiati sunt Beelphegor, et comederunt sacrificia mortuorum.
28Hij zond duisternis af, en maakte het donker; Maar men achtte niet op zijn bevel.
29Et irritaverunt eum in adinventionibus suis, et multiplicata est in eis ruina.
29Hij veranderde hun wateren in bloed, En doodde hun vissen.
30Et stetit Phinees, et placavit, et cessavit quassatio.
30Hun land krioelde van kikkers, Tot in de zalen zelfs van hun koning.
31Et reputatum est ei in justitiam, in generationem et generationem usque in sempiternum.
31Hij sprak: Daar kwamen de muggen, Muskieten over heel hun gebied.
32Et irritaverunt eum ad aquas contradictionis, et vexatus est Moyses propter eos:
32Hij gaf hun hagel voor regen, En het vuur laaide op in hun land.
33quia exacerbaverunt spiritum ejus, et distinxit in labiis suis.
33Hij sloeg hun wijnstok en vijg, En knakte de bomen op hun grond.
34Non disperdiderunt gentes quas dixit Dominus illis:
34Hij sprak: Daar kwamen de sprinkhanen aan, En ontelbare slokkers;
35et commisti sunt inter gentes, et didicerunt opera eorum;
35Ze verslonden al het gewas op het veld, En schrokten de vruchten weg van hun akker.
36et servierunt sculptilibus eorum, et factum est illis in scandalum.
36Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land, Al de eersten van hun mannenkracht.
37Et immolaverunt filios suos et filias suas dæmoniis.
37Toen voerde Hij hen uit met zilver en goud, En geen van hun stammen bleef struikelend achter.
38Et effuderunt sanguinem innocentem, sanguinem filiorum suorum et filiarum suarum, quas sacrificaverunt sculptilibus Chanaan. Et infecta est terra in sanguinibus,
38Egypte was blij, dat ze gingen; Want de schrik voor hen had ze bevangen.
39et contaminata est in operibus eorum: et fornicati sunt in adinventionibus suis.
39En Hij spreidde een wolk uit tot dek, Een vuur, om de nacht te verlichten.
40Et iratus est furore Dominus in populum suum, et abominatus est hæreditatem suam.
40Zij baden: Hij liet de kwakkels komen, En verzadigde hen met brood uit de hemel;
41Et tradidit eos in manus gentium; et dominati sunt eorum qui oderunt eos.
41Hij spleet de rotsen: daar borrelden de wateren, En vloeiden door de woestijn als een stroom:
42Et tribulaverunt eos inimici eorum, et humiliati sunt sub manibus eorum;
42Want Hij was zijn heilige belofte indachtig, Aan Abraham, zijn dienaar, gedaan!
43sæpe liberavit eos. Ipsi autem exacerbaverunt eum in consilio suo, et humiliati sunt in iniquitatibus suis.
43Zo leidde Hij zijn volk met gejubel, Zijn uitverkorenen onder gejuich.
44Et vidit cum tribularentur, et audivit orationem eorum.
44Hij schonk hun de landen der heidenen, En ze erfden het vermogen der volken:
45Et memor fuit testamenti sui, et pœnituit eum secundum multitudinem misericordiæ suæ:
45Opdat ze zijn geboden zouden volbrengen, En zijn wetten onderhouden!
46et dedit eos in misericordias, in conspectu omnium qui ceperant eos.
no verse 46 in this text
47Salvos nos fac, Domine Deus noster, et congrega nos de nationibus: ut confiteamur nomini sancto tuo, et gloriemur in laude tua.
no verse 47 in this text
48Benedictus Dominus Deus Israël, a sæculo et usque in sæculum; et dicet omnis populus: Fiat, fiat.]
no verse 48 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.