Salmos
Chapter 105
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Deem graças ao SENHOR! Invoquem o seu nome! Tornem conhecidos os seus feitos entre os povos.
1Halleluja! Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
2Cantem a ele, cantem louvores a ele! Falem de todas as suas obras maravilhosas.
2Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
3Gloriem-se no seu santo nome. Alegre-se o coração dos que buscam ao SENHOR.
3Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders!
4Busquem ao SENHOR e a sua força. Busquem a sua face para sempre.
4Wendt u tot Jahweh en zijn macht, Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
5Lembrem-se das obras maravilhosas que ele fez: de seus prodígios e dos juízos da sua boca,
5Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
6vocês, descendentes de Abraão, seu servo, vocês, filhos de Jacó, seus escolhidos.
6Gij kinderen van Abraham, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
7Ele é o SENHOR, nosso Deus. Seus juízos estão em toda a terra.
7Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
8Ele se lembra da sua aliança para sempre, da palavra que ordenou para mil gerações,
8Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
9da aliança que fez com Abraão, do seu juramento a Isaque,
9Het verbond, met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
10o qual ele confirmou a Jacó como um decreto; a Israel como uma aliança eterna,
10En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
11dizendo: “A você darei a terra de Canaã, a porção da sua herança”,
11Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel.”
12quando ainda eram poucos em número, sim, muito poucos, e estrangeiros nela.
12Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
13Eles andavam de nação em nação, de um reino para outro povo.
13En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
14Ele não permitiu que ninguém lhes fizesse mal. Sim, ele repreendeu reis por causa deles,
14Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
15dizendo: “Não toquem nos meus ungidos! Não façam mal aos meus profetas!”
15“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
16Ele chamou a fome sobre a terra. Ele destruiu os suprimentos de alimento.
16En toen Hij honger in het land had ontboden, Alle broodstokken stuk had geslagen,
17Ele enviou um homem adiante deles. José foi vendido como escravo.
17Zond Hij een man voor hen uit, Werd Josef verkocht als een slaaf;
18Feriram os seus pés com grilhões. Seu pescoço foi preso em ferros,
18Men sloeg zijn voeten in boeien, In ijzeren ketens werd hij gekluisterd.
19até o tempo em que a sua palavra se cumpriu, e a palavra do SENHOR o provou verdadeiro.
19Maar toen eindelijk zijn voorzegging vervuld was, En Jahweh’s uitspraak hem in het gelijk had gesteld,
20O rei mandou soltá-lo, sim, o governante dos povos, e o deixou ir livre.
20Beval de koning, hem te bevrijden, Liet de heerser der volken hem los;
21Ele o constituiu senhor da sua casa, e governante de todos os seus bens,
21Hij stelde hem aan tot heer van zijn huis, Tot bestuurder van heel zijn bezit.
22para disciplinar os seus príncipes como lhe agradasse, e para ensinar sabedoria aos seus anciãos.
22En terwijl hij diens vorsten door zijn geest onderrichtte, En wijsheid leerde aan zijn oudsten,
23Israel também foi para o Egito. Jacó habitou na terra de Cam.
23Trok Israël Egypte binnen, Werd Jakob gast in het land van Cham.
24Ele multiplicou grandemente o seu povo, e os fez mais fortes do que os seus adversários.
24Daar liet Hij zijn volk heel vruchtbaar worden, Veel talrijker dan zijn verdrukkers.
25Ele mudou o coração deles para odiarem o seu povo, para conspirarem contra os seus servos.
25Maar toen hun hart verstarde, en zij zijn volk gingen haten, En trouweloos zijn dienaren kwelden,
26Ele enviou Moisés, seu servo, e Arão, a quem havia escolhido.
26Zond Hij Moses, zijn dienstknecht, Aäron, dien Hij zelf had gekozen;
27Eles realizaram milagres entre eles, e maravilhas na terra de Cam.
27En zij verrichtten zijn tekenen onder hen, En wonderen in het land van Cham.
28Ele enviou trevas, e fez escurecer. Eles não se rebelaram contra as suas palavras.
28Hij zond duisternis af, en maakte het donker; Maar men achtte niet op zijn bevel.
29Ele transformou as águas deles em sangue, e matou os seus peixes.
29Hij veranderde hun wateren in bloed, En doodde hun vissen.
30A terra deles ficou infestada de rãs, até mesmo nos aposentos dos seus reis.
30Hun land krioelde van kikkers, Tot in de zalen zelfs van hun koning.
31Ele falou, e enxames de moscas vieram, e piolhos em todas as suas fronteiras.
31Hij sprak: Daar kwamen de muggen, Muskieten over heel hun gebied.
32Ele lhes deu granizo por chuva, com relâmpagos na sua terra.
32Hij gaf hun hagel voor regen, En het vuur laaide op in hun land.
33Ele feriu as suas videiras e também as suas figueiras, e despedaçou as árvores do seu território.
33Hij sloeg hun wijnstok en vijg, En knakte de bomen op hun grond.
34Ele falou, e os gafanhotos vieram com os saltões, sem número.
34Hij sprak: Daar kwamen de sprinkhanen aan, En ontelbare slokkers;
35Eles devoraram todas as plantas da sua terra, e devoraram os frutos do seu solo.
35Ze verslonden al het gewas op het veld, En schrokten de vruchten weg van hun akker.
36Ele também feriu todos os primogênitos na sua terra, as primícias de todo o seu vigor.
36Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land, Al de eersten van hun mannenkracht.
37Ele os tirou de lá com prata e ouro. Não havia uma só pessoa fraca entre as suas tribos.
37Toen voerde Hij hen uit met zilver en goud, En geen van hun stammen bleef struikelend achter.
38O Egito se alegrou quando eles partiram, pois o pavor deles havia caído sobre eles.
38Egypte was blij, dat ze gingen; Want de schrik voor hen had ze bevangen.
39Ele estendeu uma nuvem como cobertura, e fogo para iluminar de noite.
39En Hij spreidde een wolk uit tot dek, Een vuur, om de nacht te verlichten.
40Eles pediram, e ele trouxe codornizes, e os saciou com o pão do céu.
40Zij baden: Hij liet de kwakkels komen, En verzadigde hen met brood uit de hemel;
41Ele abriu a rocha, e águas jorraram. Elas correram como um rio nos lugares secos.
41Hij spleet de rotsen: daar borrelden de wateren, En vloeiden door de woestijn als een stroom:
42Pois ele se lembrou da sua santa palavra, e de Abraão, seu servo.
42Want Hij was zijn heilige belofte indachtig, Aan Abraham, zijn dienaar, gedaan!
43Ele tirou o seu povo com alegria, os seus escolhidos com cânticos.
43Zo leidde Hij zijn volk met gejubel, Zijn uitverkorenen onder gejuich.
44Ele lhes deu as terras das nações. Eles tomaram posse do trabalho dos povos,
44Hij schonk hun de landen der heidenen, En ze erfden het vermogen der volken:
45para que guardassem os seus decretos, e observassem as suas leis. Louvem ao SENHOR!
45Opdat ze zijn geboden zouden volbrengen, En zijn wetten onderhouden!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.