Salmos
Chapter 104
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Bendiga o SENHOR, ó minha alma. Ó SENHOR, meu Deus, tu és muito grande. Estás vestido de honra e majestade.
1Halleluja! Loof Jahweh, mijn ziel: Jahweh, mijn God, hoog zijt Gij verheven! Gij hebt U met glorie en luister omkleed,
2Ele se cobre de luz como de um manto. Ele estende os céus como uma cortina.
2En hult U in het licht als een mantel; Gij spant de hemelen uit als een tent,
3Ele põe as vigas dos seus aposentos nas águas. Ele faz das nuvens a sua carruagem. Ele anda sobre as asas do vento.
3En legt op de wateren uw opperzalen. Gij maakt van de wolken uw wagen, Zweeft op de vleugels van de wind;
4Ele faz dos seus mensageiros ventos, e dos seus servos, chamas de fogo.
4Stelt de stormen aan tot uw boden, Laaiend vuur tot uw knechten.
5Ele lançou os fundamentos da terra, para que jamais seja abalada.
5Gij hebt de aarde op haar pijlers gegrond, Zodat ze voor eeuwig niet wankelt.
6Tu a cobriste com o abismo como com uma veste. As águas pararam acima das montanhas.
6De Oceaan bedekte haar als een kleed, Nog boven de bergen stonden de wateren:
7À tua repreensão, elas fugiram. À voz do teu trovão, elas se apressaram em fugir.
7Maar ze namen de vlucht voor uw dreigen, Rilden van angst voor de stem van uw donder;
8Os montes se ergueram, os vales afundaram, para o lugar que tu lhes designaste.
8Toen rezen de bergen, en zonken de dalen Op de plaats, die Gij hun hadt bestemd.
9Tu estabeleceste um limite que elas não podem ultrapassar, para que não voltem a cobrir a terra.
9Gij hebt ze grenzen gesteld, die ze niet overschreden, Ze mochten niet meer de aarde bedekken;
10Ele envia fontes para os vales. Elas correm entre os montes.
10Gij zendt de bronnen in de dalen, En tussen de bergen stromen ze voort;
11Elas dão de beber a todos os animais do campo. Os jumentos selvagens matam a sua sede.
11Ze laven al de wilde dieren, En de woudezel lest er zijn dorst;
12As aves do céu aninham-se junto a elas. Elas cantam entre os ramos.
12Daar nestelen de vogels uit de lucht, En fluiten er tussen de struiken.
13Ele rega os montes desde os seus aposentos. A terra se farta com o fruto das tuas obras.
13Uit uw zalen drenkt Gij de bergen, Door het sap van uw nevel wordt de aarde verzadigd;
14Ele faz crescer a relva para o gado, e as plantas para o homem cultivar, para que produza alimento da terra:
14Gij laat voor het vee het gras ontspruiten, En het groen voor wat de mensen dient. Gij roept het graan uit de aarde te voorschijn,
15o vinho que alegra o coração do homem, o azeite para fazer seu rosto brilhar, e o pão que fortalece o coração do homem.
15En de wijn, die het hart van de mensen verheugt; Olie, om het gelaat te doen glanzen, Brood, dat het hart van de mensen verkwikt.
16As árvores do SENHOR são bem regadas, os cedros do Líbano, que ele plantou,
16Jahweh’s bomen drinken zich vol, De Libanon-ceders, die Hij heeft geplant:
17onde as aves fazem os seus ninhos. A cegonha faz a sua morada nos ciprestes.
17Waar de vogels zich nestelen, In wier toppen de ooievaar woont.
18As altas montanhas são para as cabras selvagens. As rochas são um refúgio para os arganazes.
18De hoogste bergen zijn voor de gemzen, De klippen een schuilplaats voor bokken.
19Ele designou a lua para as estações. O sol sabe quando se pôr.
19Gij schiept de maan, om de tijd te bepalen, De zon weet, wanneer ze onder moet gaan.
20Tu trazes as trevas, e faz-se noite, na qual todos os animais da floresta rondam.
20Maakt Gij het donker, dan wordt het nacht, En sluipen de wilde beesten rond,
21Os leõezinhos rugem atrás de sua presa, e buscam de Deus o seu alimento.
21Brullen de leeuwen om buit, En vragen God om hun voedsel.
22O sol nasce, e eles se retiram furtivamente, e se deitam em seus covis.
22De zon gaat op: ze kruipen weg, En leggen zich neer in hun holen;
23O homem sai para a sua obra, para o seu trabalho até a tarde.
23Maar de mens tijgt aan zijn werk, En aan zijn arbeid tot aan de avond.
24SENHOR, quão numerosas são as tuas obras! Com sabedoria, tu fizeste todas elas. A terra está cheia das tuas riquezas.
24Hoe ontzaglijk zijn uw werken, o Jahweh: Gij hebt ze allen met wijsheid gewrocht! De aarde is vol van uw schepselen,
25Eis o mar, grande e vasto, no qual há inumeráveis seres vivos, animais tanto pequenos quanto grandes.
25Niet minder de zee; Die is groot en geweldig, En het wemelt daarin zonder tal: Beesten, kleine en grote,
26Ali navegam os navios, e o leviatã, que tu formaste para ali brincar.
26Monsters trekken er door, Liwjatan dien Gij hebt geschapen, Om er mede te spelen.
27Todos estes esperam em ti, para que lhes dês o seu alimento no tempo certo.
27Allen zien naar U uit, Om voedsel, elk op zijn tijd.
28Tu lhes dás; eles o recolhem. Tu abres a tua mão; eles se fartam de bens.
28Geeft Gij het: ze eten het op; Gij opent uw hand: ze worden van het goede verzadigd.
29Tu escondes o teu rosto; eles ficam perturbados. Tu retiras o fôlego deles; eles morrem e voltam ao pó.
29Maar verbergt Gij uw aanschijn: Ze verstarren van schrik; Gij ontneemt hun de adem: Ze sterven en keren terug tot hun stof.
30Tu envias o teu Espírito e eles são criados. Tu renovas a face da terra.
30Maar Gij zendt weer uw geest: en ze worden geschapen, En Gij vernieuwt het aanschijn der aarde!
31Que a glória do SENHOR dure para sempre. Que o SENHOR se alegre em suas obras.
31Eeuwig dure de glorie van Jahweh, En blijve Jahweh Zich in zijn werken verheugen;
32Ele olha para a terra, e ela treme. Ele toca nos montes, e eles fumegam.
32Hij, die de aarde beziet: en ze beeft; Die de bergen aanraakt: ze roken!
33Cantarei ao SENHOR enquanto eu viver. Cantarei louvores ao meu Deus enquanto eu existir.
33Heel mijn leven zal ik zingen voor Jahweh, Mijn God blijven loven, zolang ik besta!
34Que a minha meditação lhe seja agradável. Eu me alegrarei no SENHOR.
34Moge mijn zang Hèm behagen, En ìk mij in Jahweh verblijden;
35Que os pecadores sejam consumidos da terra. Que os ímpios não existam mais. Bendiga o SENHOR, ó minha alma. Louvem o SENHOR!
35Maar mogen de zondaars van de aarde verdwijnen, En de goddelozen niet blijven bestaan! Loof Jahweh, mijn ziel!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.