Salmos
Chapter 104
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmos 104

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1BENDICE, alma mía, á Jehová. Jehová, Dios mío, mucho te has engrandecido; haste vestido de gloria y de magnificencia.
1Halleluja! Loof Jahweh, mijn ziel: Jahweh, mijn God, hoog zijt Gij verheven! Gij hebt U met glorie en luister omkleed,
2El que se cubre de luz como de vestidura, que extiende los cielos como una cortina;
2En hult U in het licht als een mantel; Gij spant de hemelen uit als een tent,
3Que establece sus aposentos entre las aguas; el que pone las nubes por su carroza, el que anda sobre las alas del viento;
3En legt op de wateren uw opperzalen. Gij maakt van de wolken uw wagen, Zweeft op de vleugels van de wind;
4El que hace á sus ángeles espíritus, sus ministros al fuego flameante.
4Stelt de stormen aan tot uw boden, Laaiend vuur tot uw knechten.
5El fundó la tierra sobre sus basas; no será jamás removida.
5Gij hebt de aarde op haar pijlers gegrond, Zodat ze voor eeuwig niet wankelt.
6Con el abismo, como con vestido, la cubriste; sobre los montes estaban las aguas.
6De Oceaan bedekte haar als een kleed, Nog boven de bergen stonden de wateren:
7A tu reprensión huyeron; al sonido de tu trueno se apresuraron;
7Maar ze namen de vlucht voor uw dreigen, Rilden van angst voor de stem van uw donder;
8Subieron los montes, descendieron los valles, al lugar que tú les fundaste.
8Toen rezen de bergen, en zonken de dalen Op de plaats, die Gij hun hadt bestemd.
9Pusísteles término, el cual no traspasarán; ni volverán á cubrir la tierra.
9Gij hebt ze grenzen gesteld, die ze niet overschreden, Ze mochten niet meer de aarde bedekken;
10Tú eres el que envías las fuentes por los arroyos; van entre los montes.
10Gij zendt de bronnen in de dalen, En tussen de bergen stromen ze voort;
11Abrevan á todas las bestias del campo: quebrantan su sed los asnos montaraces.
11Ze laven al de wilde dieren, En de woudezel lest er zijn dorst;
12Junto á aquellos habitarán las aves de los cielos; entre las ramas dan voces.
12Daar nestelen de vogels uit de lucht, En fluiten er tussen de struiken.
13El que riega los montes desde sus aposentos: del fruto de sus obras se sacia la tierra.
13Uit uw zalen drenkt Gij de bergen, Door het sap van uw nevel wordt de aarde verzadigd;
14El que hace producir el heno para las bestias, y la hierba para el servicio del hombre; sacando el pan de la tierra.
14Gij laat voor het vee het gras ontspruiten, En het groen voor wat de mensen dient. Gij roept het graan uit de aarde te voorschijn,
15Y el vino que alegra el corazón del hombre, y el aceite que hace lucir el rostro, y el pan que sustenta el corazón del hombre.
15En de wijn, die het hart van de mensen verheugt; Olie, om het gelaat te doen glanzen, Brood, dat het hart van de mensen verkwikt.
16Llénanse de jugo los árboles de Jehová, los cedros del Líbano que él plantó.
16Jahweh’s bomen drinken zich vol, De Libanon-ceders, die Hij heeft geplant:
17Allí anidan las aves; en las hayas hace su casa la cigüeña.
17Waar de vogels zich nestelen, In wier toppen de ooievaar woont.
18Los montes altos para las cabras monteses; las peñas, madrigueras para los conejos.
18De hoogste bergen zijn voor de gemzen, De klippen een schuilplaats voor bokken.
19Hizo la luna para los tiempos: el sol conoce su ocaso.
19Gij schiept de maan, om de tijd te bepalen, De zon weet, wanneer ze onder moet gaan.
20Pone las tinieblas, y es la noche: en ella corretean todas las bestias de la selva.
20Maakt Gij het donker, dan wordt het nacht, En sluipen de wilde beesten rond,
21Los leoncillos braman á la presa, y para buscar de Dios su comida.
21Brullen de leeuwen om buit, En vragen God om hun voedsel.
22Sale el sol, recógense, y échanse en sus cuevas.
22De zon gaat op: ze kruipen weg, En leggen zich neer in hun holen;
23Sale el hombre á su hacienda, y á su labranza hasta la tarde.
23Maar de mens tijgt aan zijn werk, En aan zijn arbeid tot aan de avond.
24¡Cuán muchas son tus obras, oh Jehová! Hiciste todas ellas con sabiduría: la tierra está llena de tus beneficios.
24Hoe ontzaglijk zijn uw werken, o Jahweh: Gij hebt ze allen met wijsheid gewrocht! De aarde is vol van uw schepselen,
25Asimismo esta gran mar y ancha de términos: en ella pescados sin número, animales pequeños y grandes.
25Niet minder de zee; Die is groot en geweldig, En het wemelt daarin zonder tal: Beesten, kleine en grote,
26Allí andan navíos; allí este leviathán que hiciste para que jugase en ella.
26Monsters trekken er door, Liwjatan dien Gij hebt geschapen, Om er mede te spelen.
27Todos ellos esperan en ti, para que les des su comida á su tiempo.
27Allen zien naar U uit, Om voedsel, elk op zijn tijd.
28Les das, recogen; abres tu mano, hártanse de bien.
28Geeft Gij het: ze eten het op; Gij opent uw hand: ze worden van het goede verzadigd.
29Escondes tu rostro, túrbanse: les quitas el espíritu, dejan de ser, y tórnanse en su polvo.
29Maar verbergt Gij uw aanschijn: Ze verstarren van schrik; Gij ontneemt hun de adem: Ze sterven en keren terug tot hun stof.
30Envías tu espíritu, críanse: y renuevas la haz de la tierra.
30Maar Gij zendt weer uw geest: en ze worden geschapen, En Gij vernieuwt het aanschijn der aarde!
31Sea la gloria de Jehová para siempre; alégrese Jehová en sus obras;
31Eeuwig dure de glorie van Jahweh, En blijve Jahweh Zich in zijn werken verheugen;
32El cual mira á la tierra, y ella tiembla; toca los montes, y humean.
32Hij, die de aarde beziet: en ze beeft; Die de bergen aanraakt: ze roken!
33A Jehová cantaré en mi vida: á mi Dios salmearé mientras viviere.
33Heel mijn leven zal ik zingen voor Jahweh, Mijn God blijven loven, zolang ik besta!
34Serme ha suave hablar de él: yo me alegraré en Jehová.
34Moge mijn zang Hèm behagen, En ìk mij in Jahweh verblijden;
35Sean consumidos de la tierra los pecadores, y los impíos dejen de ser. Bendice, alma mía, á Jehová. Aleluya.
35Maar mogen de zondaars van de aarde verdwijnen, En de goddelozen niet blijven bestaan! Loof Jahweh, mijn ziel!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.