Salmos 22
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Al Músico principal, sobre Ajeleth-sahar: Salmo de David. DIOS mío, Dios mío, ¿por qué me has dejado? ¿ por qué estás lejos de mi salud, y de las palabras de mi clamor?
1Voor muziekbegeleiding; wijze: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. Mijn God, mijn God, zie op mij neer; Waarom hebt Gij mij verlaten? Waarom houdt Gij U ver van mijn hulp, Ver van mijn jammerklachten, mijn God?
2Dios mío, clamo de día, y no oyes; y de noche, y no hay para mí silencio.
2Ik roep overdag, Gij antwoordt niet; Des nachts, maar ik vind geen rust.
3Tú empero eres santo, tú que habitas entre las alabanzas de Israel.
3Toch troont Gij in het heiligdom, Gij, Israëls hoop!
4En ti esperaron nuestros padres: esperaron, y tú los libraste.
4Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost;
5Clamaron á ti, y fueron librados: esperaron en ti, y no se avergonzaron.
5Tot U geroepen, ze werden gered, Op U gerekend, ze zijn niet beschaamd.
6Mas yo soy gusano, y no hombre; oprobio de los hombres, y desecho del pueblo.
6Doch ik ben maar een worm en geen mens, Door de wereld bespot, veracht door het volk;
7Todos los que me ven, escarnecen de mí; estiran los labios, menean la cabeza, diciendo :
7Al die mij zien, lachen mij uit, Grijnzen, en schudden meewarig het hoofd:
8Remítese á Jehová, líbrelo; sálvele, puesto que en él se complacía.
8“Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!”
9Empero tú eres el que me sacó del vientre, el que me haces esperar desde que estaba á los pechos de mi madre.
9Ja, Gij zijt het, die mij uit de schoot hebt genomen, Die mij veilig deedt rusten aan de borst mijner moeder;
10Sobre ti fuí echado desde la matriz: desde el vientre de mi madre, tú eres mi Dios.
10Bij mijn geboorte werd ik op uw knieën gelegd, Gij zijt mijn God van de moederschoot af.
11No te alejes de mí, porque la angustia está cerca; porque no hay quien ayude.
11Blijf dus niet verre van mij, Want de nood is nabij, en er is niemand die helpt!
12Hanme rodeado muchos toros; fuertes toros de Basán me han cercado.
12Bonkige stieren staan om mij heen, Buffels van Basjan omsingelen mij;
13Abrieron sobre mí su boca, como león rapante y rugiente.
13Ze sperren hun muil naar mij open Als verscheurende, brullende leeuwen.
14Heme escurrido como aguas, y todos mis huesos se descoyuntaron: mi corazón fué como cera, desliéndose en medio de mis entrañas.
14Als water ben ik uitgegoten, Al mijn beenderen zijn ontwricht; Mijn hart is als was, Smelt weg in mijn borst.
15Secóse como un tiesto mi vigor, y mi lengua se pegó á mi paladar; y me has puesto en el polvo de la muerte.
15Mijn keel is droog als een scherf, Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast; En in het stof van de dood Strekt Gij mij neer.
16Porque perros me han rodeado, hame cercado cuadrilla de malignos: horadaron mis manos y mis pies.
16Dan komen honden om mij heen, Een bende boosdoeners houdt mij omlegerd; Ze doorboren mijn handen en voeten,
17Contar puedo todos mis huesos; ellos miran, considéranme.
17Al mijn beenderen kan ik tellen. Ze werpen begerige blikken, En gluren mij aan;
18Partieron entre sí mis vestidos, y sobre mi ropa echaron suertes.
18Verdelen mijn kleren onder elkander, En loten om mijn gewaad.
19Mas tú, Jehová, no te alejes; fortaleza mía, apresúrate para mi ayuda.
19O Jahweh, blijf toch niet in de verte; Mijn Sterkte, snel mij te hulp!
20Libra de la espada mi alma; del poder del perro mi única.
20Bescherm mijn leven tegen het zwaard, Het enige, dat mij nog rest, tegen de honden;
21Sálvame de la boca del león, y óyeme librándome de los cuernos de los unicornios.
21Red mij uit de muil van den leeuw, Mij arme, van de hoornen der buffels.
22Anunciaré tu nombre á mis hermanos: en medio de la congregación te alabaré.
22Dan zal ik uw Naam aan mijn broeders verkonden, In de kring der gemeente U prijzen:
23Los que teméis á Jehová, alabadle; glorificadle, simiente toda de Jacob; y temed de él, vosotros, simiente toda de Israel.
23“Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!”
24Porque no menospreció ni abominó la aflicción del pobre, ni de él escondió su rostro; sino que cuando clamó á él, oyóle.
24“Want nimmer heeft Hij versmaad of veracht De ellende van den verdrukte; Zijn aanschijn voor hem niet verborgen, Maar hem verhoord, als hij Hem riep!”
25De ti será mi alabanza en la grande congregación; mis votos pagaré delante de los que le temen.
25Dit zal mijn danklied voor U zijn In de grote gemeente! Dan zal ik ook mijn belofte vervullen Aan hen, die Hem vrezen:
26Comerán los pobres, y serán saciados: alabarán á Jehová los que le buscan: vivirá vuestro corazón para siempre.
26De armen zullen eten, En worden verzadigd; Die Jahweh zoeken, zullen Hem loven. En hun hart zal eeuwig worden verkwikt.
27Acordarse han, y volveránse á Jehová todos los términos de la tierra; y se humillarán delante de ti todas las familias de las gentes.
27Alle grenzen der aarde zullen het gedenken, En zich tot Jahweh bekeren, Alle stammen der heidenen Hem aanbidden!
28Porque de Jehová es el reino; y él se enseñoreará de las gentes.
28Want Jahweh komt het koningschap toe, Hij is de Heerser der volken;
29Comerán y adorarán todos los poderosos de la tierra: postraránse delante de él todos los que descienden al polvo, si bien ninguno puede conservar la vida á su propia alma.
29Hem alleen moeten huldigen alle machten der aarde! Dan buigen zich ook voor Hem neer, die in het stof zijn gezonken, En geen leven meer hebben.
30La posteridad le servirá; será ella contada por una generación de Jehová.
30Dan zal ook mijn zaad Hem dienen, En van den Heer gaan vertellen aan het volgend geslacht,
31Vendrán, y anunciarán al pueblo que naciere, su justicia que él hizo.
31Zijn goedheid verhalen aan het volk, dat nog geboren moet worden: Dat het Jahweh was, die het volbracht!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.