Salmos 94
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1JEHOVÁ, Dios de las venganzas, Dios de las venganzas, muéstrate.
1Jahweh, wrekende God, God der wrake, treed op;
2Ensálzate, oh Juez de la tierra: da el pago á los soberbios.
2Verhef U, Rechter der aarde, Vergeld de trotsen wat ze verdienen!
3¿Hasta cuándo los impíos, hasta cuándo, oh Jehová, se gozarán los impíos?
3Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen?
4¿Hasta cuándo pronunciarán, hablarán cosas duras, y se vanagloriarán todos los que obran iniquidad?
4Al die booswichten pochen en snoeven, En een hoge toon slaan ze aan!
5A tu pueblo, oh Jehová, quebrantan, y á tu heredad afligen.
5Jahweh, ze vertrappen uw volk, En verdrukken uw erfdeel;
6A la viuda y al extanjero matan, y á los huérfanos quitan la vida.
6Ze doden weduwen en wezen, Vermoorden die bij ons kwamen wonen.
7Y dijeron: No verá JAH, ni entenderá el Dios de Jacob.
7En dan zeggen ze nog: Jahweh ziet het niet eens, De God van Jakob merkt het niet!
8Entended, necios del pueblo; y vosotros fatuos, ¿cuándo seréis sabios?
8Domme kudde, word toch verstandig; Gij dwazen, wanneer wordt gij wijs?
9El que plantó el oído, ¿no oirá? el que formó el ojo, ¿no verá?
9Zou Hij het niet horen, die het oor heeft geplant, Niet zien, die het oog heeft geschapen;
10El que castiga las gentes, ¿no reprenderá? ¿no sabrá el que enseña al hombre la ciencia?
10Zou Hij, die de volkeren tuchtigt, niet straffen, Onwetend zijn, die den mens onderricht?
11Jehová conoce los pensamientos de los hombres, que son vanidad.
11Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn.
12Bienaventurado el hombre á quien tú, JAH, castigares, y en tu ley lo instruyeres;
12Jahweh, gelukkig de man, dien Gij onderricht, En dien Gij leert uit uw wet:
13Para tranquilizarle en los días de aflicción, en tanto que para el impío se cava el hoyo.
13Hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, Totdat voor den boze het graf is gedolven;
14Porque no dejará Jehová su pueblo, ni desamparará su heredad;
14Hoe Jahweh zijn volk niet verstoot, En nooit zijn erfdeel verlaat;
15Sino que el juicio será vuelto á justicia, y en pos de ella irán todos los rectos de corazón.
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
16¿Quién se levantará por mí contra los malignos? ¿quién estará por mí contra los que obran iniquidad?
16Wie anders neemt het voor mij tegen de boosdoeners op, Wie staat mij tegen de booswichten bij?
17Si no me ayudara Jehová, presto morara mi alma en el silencio.
17Wanneer Jahweh mij niet te hulp was gekomen, Dan lag ik misschien al lang in het graf.
18Cuando yo decía: Mi pie resbala: tu misericordia, oh Jehová, me sustentaba.
18Maar als ik denk: nú wankelt mijn voet, Dan steunt mij uw goedheid, o Jahweh;
19En la multitud de mis pensamientos dentro de mí, tus consolaciones alegraban mi alma.
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
20¿Juntaráse contigo el trono de iniquidades, que forma agravio en el mandamiento?
20Zoudt Gij iets gemeen hebben met de zetel van onrecht, Die onheil sticht op gezag van de wet;
21Pónense en corros contra la vida del justo, y condenan la sangre inocente.
21Met hen, die het leven der braven belagen, En onschuldig bloed durven straffen?
22Mas Jehová me ha sido por refugio; y mi Dios por roca de mi confianza.
22Neen, voor mij is Jahweh een toevlucht, Mijn God een veilige Rots;
23Y él hará tornar sobre ellos su iniquidad, y los destruirá por su propia maldad; los talará Jehová nuestro Dios.
23Maar hùn vergeldt Hij hun onrecht, En vernielt ze om hun boosheid: Jahweh, onze God!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.