Psaumes 94
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Dieu des vengeances, Éternel! Dieu des vengeances, parais!
1Jahweh, wrekende God, God der wrake, treed op;
2Lève-toi, juge de la terre! Rends aux superbes selon leurs œuvres!
2Verhef U, Rechter der aarde, Vergeld de trotsen wat ze verdienen!
3Jusques à quand les méchants, ô Éternel! Jusques à quand les méchants triompheront-ils?
3Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen?
4Ils discourent, ils parlent avec arrogance; Tous ceux qui font le mal se glorifient.
4Al die booswichten pochen en snoeven, En een hoge toon slaan ze aan!
5Éternel! Ils écrasent ton peuple, Ils oppriment ton héritage;
5Jahweh, ze vertrappen uw volk, En verdrukken uw erfdeel;
6Ils égorgent la veuve et l’étranger, Ils assassinent les orphelins.
6Ze doden weduwen en wezen, Vermoorden die bij ons kwamen wonen.
7Et ils disent: L’Éternel ne regarde pas, Le Dieu de Jacob ne fait pas attention!
7En dan zeggen ze nog: Jahweh ziet het niet eens, De God van Jakob merkt het niet!
8Prenez-y garde, hommes stupides! Insensés, quand serez-vous sages?
8Domme kudde, word toch verstandig; Gij dwazen, wanneer wordt gij wijs?
9Celui qui a planté l’oreille n’entendrait-il pas? Celui qui a formé l’œil ne verrait-il pas?
9Zou Hij het niet horen, die het oor heeft geplant, Niet zien, die het oog heeft geschapen;
10Celui qui châtie les nations ne punirait-il point, Lui qui donne à l’homme l’intelligence?
10Zou Hij, die de volkeren tuchtigt, niet straffen, Onwetend zijn, die den mens onderricht?
11L’Éternel connaît les pensées de l’homme, Il sait qu’elles sont vaines.
11Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn.
12Heureux l’homme que tu châties, ô Éternel! Et que tu instruis par ta loi,
12Jahweh, gelukkig de man, dien Gij onderricht, En dien Gij leert uit uw wet:
13Pour le calmer aux jours du malheur, Jusqu’à ce que la fosse soit creusée pour le méchant!
13Hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, Totdat voor den boze het graf is gedolven;
14Car l’Éternel ne délaisse pas son peuple, Il n’abandonne pas son héritage;
14Hoe Jahweh zijn volk niet verstoot, En nooit zijn erfdeel verlaat;
15Car le jugement sera conforme à la justice, Et tous ceux dont le cœur est droit l’approuveront.
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
16Qui se lèvera pour moi contre les méchants? Qui me soutiendra contre ceux qui font le mal?
16Wie anders neemt het voor mij tegen de boosdoeners op, Wie staat mij tegen de booswichten bij?
17Si l’Éternel n’était pas mon secours, Mon âme serait bien vite dans la demeure du silence.
17Wanneer Jahweh mij niet te hulp was gekomen, Dan lag ik misschien al lang in het graf.
18Quand je dis: Mon pied chancelle! Ta bonté, ô Éternel! Me sert d’appui.
18Maar als ik denk: nú wankelt mijn voet, Dan steunt mij uw goedheid, o Jahweh;
19Quand les pensées s’agitent en foule au-dedans de moi, Tes consolations réjouissent mon âme.
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
20Les méchants te feraient-ils siéger sur leur trône, Eux qui forment des desseins iniques en dépit de la loi?
20Zoudt Gij iets gemeen hebben met de zetel van onrecht, Die onheil sticht op gezag van de wet;
21Ils se rassemblent contre la vie du juste, Et ils condamnent le sang innocent.
21Met hen, die het leven der braven belagen, En onschuldig bloed durven straffen?
22Mais l’Éternel est ma retraite, Mon Dieu est le rocher de mon refuge.
22Neen, voor mij is Jahweh een toevlucht, Mijn God een veilige Rots;
23Il fera retomber sur eux leur iniquité, Il les anéantira par leur méchanceté; L’Éternel, notre Dieu, les anéantira.
23Maar hùn vergeldt Hij hun onrecht, En vernielt ze om hun boosheid: Jahweh, onze God!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.