Psaumes 102
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Prière d’un malheureux, lorsqu’il est abattu et qu’il répand sa plainte devant l’Éternel.
1Gebed van een ongelukkige, als de moed hem ontzinkt, en hij voor Jahweh zijn jammerklacht uitstort. Jahweh, hoor mijn gebed, Mijn jammerklacht dringe tot U door!
2Éternel, écoute ma prière, Et que mon cri parvienne jusqu’à toi!
2Verberg voor mij uw aanschijn niet, Wanneer het mij bang wordt; Luister naar mij, als ik roep, En verhoor mij toch snel!
3Ne me cache pas ta face au jour de ma détresse! Incline vers moi ton oreille quand je crie! Hâte-toi de m’exaucer!
3Want als rook gaan mijn dagen voorbij; En mijn gebeente gloeit als een oven;
4Car mes jours s’évanouissent en fumée, Et mes os sont enflammés comme un tison.
4Mijn hart is verdroogd en verdord als het gras, Want ik denk er niet aan, mijn brood nog te eten;
5Mon cœur est frappé et se dessèche comme l’herbe; J’oublie même de manger mon pain.
5En door mijn klagen en kermen, Kleeft mijn gebeente aan mijn vlees.
6Mes gémissements sont tels Que mes os s’attachent à ma chair.
6Ik ben als een pelikaan der woestijn, En als een uil tussen puinen;
7Je ressemble au pélican du désert, Je suis comme le chat-huant des ruines;
7Ik kan niet meer slapen, en zit maar te klagen, Als een eenzame mus op het dak.
8Je n’ai plus de sommeil, et je suis Comme l’oiseau solitaire sur un toit.
8Mijn vijanden houden niet op, mij te honen, En tegen mij te razen en te vloeken.
9Chaque jour mes ennemis m’outragent, Et c’est par moi que jurent mes adversaires en fureur.
9Ja, ik eet as als mijn brood, En met tranen meng ik mijn drank;
10Je mange la poussière au lieu de pain, Et je mêle des larmes à ma boisson,
10Want Gij hebt om uw gramschap en toorn Mij opgenomen en weggeslingerd!
11A cause de ta colère et de ta fureur; Car tu m’as soulevé et jeté au loin.
11Mijn dagen vlieden heen als een schaduw, Ik kwijn weg als het gras.
12Mes jours sont comme l’ombre à son déclin, Et je me dessèche comme l’herbe.
12Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig, En uw Naam van geslacht tot geslacht!
13Mais toi, Éternel! Tu règnes à perpétuité, Et ta mémoire dure de génération en génération.
13Gij zult opstaan, en U over Sion ontfermen: Het is tijd, hem genadig te zijn; het uur is gekomen!
14Tu te lèveras, tu auras pitié de Sion; Car le temps d’avoir pitié d’elle, Le temps fixé est à son terme;
14Want uw dienaars hebben zijn stenen lief, En hebben deernis met zijn puinen.
15Car tes serviteurs en aiment les pierres, Ils en chérissent la poussière.
15Dan zullen de heidenen de Naam van Jahweh vrezen, Alle vorsten der aarde uw majesteit:
16Alors les nations craindront le nom de l’Éternel, Et tous les rois de la terre ta gloire.
16Omdat Jahweh Sion herbouwt, En Zich openbaart in zijn glorie;
17Oui, l’Éternel rebâtira Sion, Il se montrera dans sa gloire.
17Zich tot de bede der verlatenen neigt, En hun gebed niet versmaadt!
18Il est attentif à la prière du misérable, Il ne dédaigne pas sa prière.
18Men schrijve dit op voor een volgend geslacht, Opdat het volk, door Jahweh herschapen, Hem zal prijzen:
19Que cela soit écrit pour la génération future, Et que le peuple qui sera créé célèbre l’Éternel!
19Als Jahweh weer neerziet Uit zijn heilige woning, En uit de hemel Weer neerblikt op aarde:
20Car il regarde du lieu élevé de sa sainteté; Du haut des cieux l’Éternel regarde sur la terre,
20Om het gekerm der gevangenen te horen, Te verlossen, die ten dode zijn gewijd;
21Pour écouter les gémissements des captifs, Pour délivrer ceux qui vont périr,
21En om Jahweh’s Naam in Sion te melden, In Jerusalem zijn lof,
22Afin qu’ils publient dans Sion le nom de l’Éternel, Et ses louanges dans Jérusalem,
22Wanneer de volkeren zich verzamelen, En de koninkrijken, om Jahweh te dienen!
23Quand tous les peuples s’assembleront, Et tous les royaumes, pour servir l’Éternel.
23Wel heeft Hij midden op mijn weg mijn krachten gebroken, En mijn dagen verkort; maar toch blijf ik bidden:
24Il a brisé ma force dans la route, Il a abrégé mes jours.
24Mijn God, neem mij niet weg op de helft mijner dagen; Uw jaren duren van geslacht tot geslacht.
25Je dis: Mon Dieu, ne m’enlève pas au milieu de mes jours, Toi, dont les années durent éternellement!
25In den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn het werk uwer handen!
26Tu as anciennement fondé la terre, Et les cieux sont l’ouvrage de tes mains.
26Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; Als een kleed zullen zij allen verslijten.
27Ils périront, mais tu subsisteras; Ils s’useront tous comme un vêtement; Tu les changeras comme un habit, et ils seront changés.
27Gij verwisselt ze als een mantel, zij zullen verdwijnen; Maar Gij blijft dezelfde, en uw jaren nemen geen einde.
28Mais toi, tu restes le même, Et tes années ne finiront point.
28Zo blijven ook de zonen uwer dienaars bestaan, En hun kroost houdt stand voor uw aanschijn!
29Les fils de tes serviteurs habiteront leur pays, Et leur postérité s’affermira devant toi.
no verse 29 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.