Psaumes 107
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Louez l’Éternel, car il est bon, Car sa miséricorde dure à toujours!
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
2Qu’ainsi disent les rachetés de l’Éternel, Ceux qu’il a délivrés de la main de l’ennemi,
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
3Et qu’il a rassemblés de tous les pays, De l’orient et de l’occident, du nord et de la mer!
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
4Ils erraient dans le désert, ils marchaient dans la solitude, Sans trouver une ville où ils pussent habiter.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
5Ils souffraient de la faim et de la soif; Leur âme était languissante.
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
6Dans leur détresse, ils crièrent à l’Éternel, Et il les délivra de leurs angoisses;
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
7Il les conduisit par le droit chemin, Pour qu’ils arrivassent dans une ville habitable.
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
8Qu’ils louent l’Éternel pour sa bonté, Et pour ses merveilles en faveur des fils de l’homme!
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
9Car il a satisfait l’âme altérée, Il a comblé de biens l’âme affamée.
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
10Ceux qui avaient pour demeure les ténèbres et l’ombre de la mort Vivaient captifs dans la misère et dans les chaînes,
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
11Parce qu’ils s’étaient révoltés contre les paroles de Dieu, Parce qu’ils avaient méprisé le conseil du Très-Haut.
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
12Il humilia leur cœur par la souffrance; Ils succombèrent, et personne ne les secourut.
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
13Dans leur détresse, ils crièrent à l’Éternel, Et il les délivra de leurs angoisses;
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
14Il les fit sortir des ténèbres et de l’ombre de la mort, Et il rompit leurs liens.
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
15Qu’ils louent l’Éternel pour sa bonté, Et pour ses merveilles en faveur des fils de l’homme!
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
16Car il a brisé les portes d’airain, Il a rompu les verrous de fer.
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
17Les insensés, par leur conduite coupable Et par leurs iniquités, s’étaient rendus malheureux.
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
18Leur âme avait en horreur toute nourriture, Et ils touchaient aux portes de la mort.
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
19Dans leur détresse, ils crièrent à l’Éternel, Et il les délivra de leurs angoisses;
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
20Il envoya sa parole et les guérit, Il les fit échapper de la fosse.
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
21Qu’ils louent l’Éternel pour sa bonté, Et pour ses merveilles en faveur des fils de l’homme!
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
22Qu’ils offrent des sacrifices d’actions de grâces, Et qu’ils publient ses œuvres avec des cris de joie!
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
23Ceux qui étaient descendus sur la mer dans des navires, Et qui travaillaient sur les grandes eaux,
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
24Ceux-là virent les œuvres de l’Éternel Et ses merveilles au milieu de l’abîme.
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
25Il dit, et il fit souffler la tempête, Qui souleva les flots de la mer.
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
26Ils montaient vers les cieux, ils descendaient dans l’abîme; Leur âme était éperdue en face du danger;
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
27Saisis de vertige, ils chancelaient comme un homme ivre, Et toute leur habileté était anéantie.
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
28Dans leur détresse, ils crièrent à l’Éternel, Et il les délivra de leurs angoisses;
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
29Il arrêta la tempête, ramena le calme, Et les ondes se turent.
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
30Ils se réjouirent de ce qu’elles s’étaient apaisées, Et l’Éternel les conduisit au port désiré.
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
31Qu’ils louent l’Éternel pour sa bonté, Et pour ses merveilles en faveur des fils de l’homme!
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
32Qu’ils l’exaltent dans l’assemblée du peuple, Et qu’ils le célèbrent dans la réunion des anciens!
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
33Il change les fleuves en désert, Et les sources d’eaux en terre desséchée,
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
34Le pays fertile en pays salé, A cause de la méchanceté de ses habitants.
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
35Il change le désert en étang, Et la terre aride en sources d’eaux,
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
36Et il y établit ceux qui sont affamés. Ils fondent une ville pour l’habiter;
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
37Ils ensemencent des champs, plantent des vignes, Et ils en recueillent les produits.
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
38Il les bénit, et ils deviennent très nombreux, Et il ne diminue point leur bétail.
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
39Sont-ils amoindris et humiliés Par l’oppression, le malheur et la souffrance;
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
40Verse-t-il le mépris sur les grands, Les fait-il errer dans des déserts sans chemin,
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
41Il relève l’indigent et le délivre de la misère, Il multiplie les familles comme des troupeaux.
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
42Les hommes droits le voient et se réjouissent, Mais toute iniquité ferme la bouche.
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
43Que celui qui est sage prenne garde à ces choses, Et qu’il soit attentif aux bontés de l’Éternel.
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.