Psaumes
Chapter 105
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psaumes 105

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Louez l’Éternel, invoquez son nom! Faites connaître parmi les peuples ses hauts faits!
1Halleluja! Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
2Chantez, chantez en son honneur! Parlez de toutes ses merveilles!
2Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
3Glorifiez-vous de son saint nom! Que le cœur de ceux qui cherchent l’Éternel se réjouisse!
3Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders!
4Ayez recours à l’Éternel et à son appui, Cherchez continuellement sa face!
4Wendt u tot Jahweh en zijn macht, Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
5Souvenez-vous des prodiges qu’il a faits, De ses miracles et des jugements de sa bouche,
5Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
6Postérité d’Abraham, son serviteur, Enfants de Jacob, ses élus!
6Gij kinderen van Abraham, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
7L’Éternel est notre Dieu; Ses jugements s’exercent sur toute la terre.
7Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
8Il se rappelle à toujours son alliance, Ses promesses pour mille générations,
8Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
9L’alliance qu’il a traitée avec Abraham, Et le serment qu’il a fait à Isaac;
9Het verbond, met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
10Il l’a érigée pour Jacob en loi, Pour Israël en alliance éternelle,
10En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
11Disant: Je te donnerai le pays de Canaan Comme héritage qui vous est échu.
11Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel.”
12Ils étaient alors peu nombreux, Très peu nombreux, et étrangers dans le pays,
12Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
13Et ils allaient d’une nation à l’autre Et d’un royaume vers un autre peuple;
13En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
14Mais il ne permit à personne de les opprimer, Et il châtia des rois à cause d’eux:
14Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
15Ne touchez pas à mes oints, Et ne faites pas de mal à mes prophètes!
15“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
16Il appela sur le pays la famine, Il coupa tout moyen de subsistance.
16En toen Hij honger in het land had ontboden, Alle broodstokken stuk had geslagen,
17Il envoya devant eux un homme: Joseph fut vendu comme esclave.
17Zond Hij een man voor hen uit, Werd Josef verkocht als een slaaf;
18On serra ses pieds dans des liens, On le mit aux fers,
18Men sloeg zijn voeten in boeien, In ijzeren ketens werd hij gekluisterd.
19Jusqu’au temps où arriva ce qu’il avait annoncé, Et où la parole de l’Éternel l’éprouva.
19Maar toen eindelijk zijn voorzegging vervuld was, En Jahweh’s uitspraak hem in het gelijk had gesteld,
20Le roi fit ôter ses liens, Le dominateur des peuples le délivra.
20Beval de koning, hem te bevrijden, Liet de heerser der volken hem los;
21Il l’établit seigneur sur sa maison, Et gouverneur de tous ses biens,
21Hij stelde hem aan tot heer van zijn huis, Tot bestuurder van heel zijn bezit.
22Afin qu’il pût à son gré enchaîner ses princes, Et qu’il enseignât la sagesse à ses anciens.
22En terwijl hij diens vorsten door zijn geest onderrichtte, En wijsheid leerde aan zijn oudsten,
23Alors Israël vint en Égypte, Et Jacob séjourna dans le pays de Cham.
23Trok Israël Egypte binnen, Werd Jakob gast in het land van Cham.
24Il rendit son peuple très fécond, Et plus puissant que ses adversaires.
24Daar liet Hij zijn volk heel vruchtbaar worden, Veel talrijker dan zijn verdrukkers.
25Il changea leur cœur, au point qu’ils haïrent son peuple Et qu’ils traitèrent ses serviteurs avec perfidie.
25Maar toen hun hart verstarde, en zij zijn volk gingen haten, En trouweloos zijn dienaren kwelden,
26Il envoya Moïse, son serviteur, Et Aaron, qu’il avait choisi.
26Zond Hij Moses, zijn dienstknecht, Aäron, dien Hij zelf had gekozen;
27Ils accomplirent par son pouvoir des prodiges au milieu d’eux, Ils firent des miracles dans le pays de Cham.
27En zij verrichtten zijn tekenen onder hen, En wonderen in het land van Cham.
28Il envoya des ténèbres et amena l’obscurité, Et ils ne furent pas rebelles à sa parole.
28Hij zond duisternis af, en maakte het donker; Maar men achtte niet op zijn bevel.
29Il changea leurs eaux en sang, Et fit périr leurs poissons.
29Hij veranderde hun wateren in bloed, En doodde hun vissen.
30Le pays fourmilla de grenouilles, Jusque dans les chambres de leurs rois.
30Hun land krioelde van kikkers, Tot in de zalen zelfs van hun koning.
31Il dit, et parurent les mouches venimeuses, Les poux sur tout leur territoire.
31Hij sprak: Daar kwamen de muggen, Muskieten over heel hun gebied.
32Il leur donna pour pluie de la grêle, Des flammes de feu dans leur pays.
32Hij gaf hun hagel voor regen, En het vuur laaide op in hun land.
33Il frappa leurs vignes et leurs figuiers, Et brisa les arbres de leur contrée.
33Hij sloeg hun wijnstok en vijg, En knakte de bomen op hun grond.
34Il dit, et parurent les sauterelles, Des sauterelles sans nombre,
34Hij sprak: Daar kwamen de sprinkhanen aan, En ontelbare slokkers;
35Qui dévorèrent toute l’herbe du pays, Qui dévorèrent les fruits de leurs champs.
35Ze verslonden al het gewas op het veld, En schrokten de vruchten weg van hun akker.
36Il frappa tous les premiers-nés dans leur pays, Toutes les prémices de leur force.
36Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land, Al de eersten van hun mannenkracht.
37Il fit sortir son peuple avec de l’argent et de l’or, Et nul ne chancela parmi ses tribus.
37Toen voerde Hij hen uit met zilver en goud, En geen van hun stammen bleef struikelend achter.
38Les Égyptiens se réjouirent de leur départ, Car la terreur qu’ils avaient d’eux les saisissait.
38Egypte was blij, dat ze gingen; Want de schrik voor hen had ze bevangen.
39Il étendit la nuée pour les couvrir, Et le feu pour éclairer la nuit.
39En Hij spreidde een wolk uit tot dek, Een vuur, om de nacht te verlichten.
40A leur demande, il fit venir des cailles, Et il les rassasia du pain du ciel.
40Zij baden: Hij liet de kwakkels komen, En verzadigde hen met brood uit de hemel;
41Il ouvrit le rocher, et des eaux coulèrent; Elles se répandirent comme un fleuve dans les lieux arides.
41Hij spleet de rotsen: daar borrelden de wateren, En vloeiden door de woestijn als een stroom:
42Car il se souvint de sa parole sainte, Et d’Abraham, son serviteur.
42Want Hij was zijn heilige belofte indachtig, Aan Abraham, zijn dienaar, gedaan!
43Il fit sortir son peuple dans l’allégresse, Ses élus au milieu des cris de joie.
43Zo leidde Hij zijn volk met gejubel, Zijn uitverkorenen onder gejuich.
44Il leur donna les terres des nations, Et ils possédèrent le fruit du travail des peuples,
44Hij schonk hun de landen der heidenen, En ze erfden het vermogen der volken:
45Afin qu’ils gardassent ses ordonnances, Et qu’ils observassent ses lois. Louez l’Éternel!
45Opdat ze zijn geboden zouden volbrengen, En zijn wetten onderhouden!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.