Psaumes 139
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Au chef des chantres. De David. Psaume. Éternel! Tu me sondes et tu me connais,
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Jahweh, Gij doorschouwt mij volmaakt, Gij zijt het, die mij doorgrondt;
2Tu sais quand je m’assieds et quand je me lève, Tu pénètres de loin ma pensée;
2Gij kent mijn zitten en staan, En verstaat mijn gedachten van verre.
3Tu sais quand je marche et quand je me couche, Et tu pénètres toutes mes voies.
3Gij meet mijn lopen en liggen, Zijt met al mijn wegen vertrouwd;
4Car la parole n’est pas sur ma langue, Que déjà, ô Éternel! Tu la connais entièrement.
4Ja, er komt geen woord op mijn tong, Of Gij kent het nauwkeurig, o Jahweh!
5Tu m’entoures par derrière et par devant, Et tu mets ta main sur moi.
5Gij omsluit mij van achter en voren, En houdt mij geheel in uw hand.
6Une science aussi merveilleuse est au-dessus de ma portée, Elle est trop élevée pour que je puisse la saisir.
6Te wonderlijk is mij uw weten, Te hoog: ik kan het niet vatten.
7Où irais-je loin de ton esprit, Et où fuirais-je loin de ta face?
7Waar zou ik ooit uw geest ontlopen, Uw aanschijn kunnen ontvluchten?
8Si je monte aux cieux, tu y es; Si je me couche au séjour des morts, t’y voilà.
8Stijg ik ten hemel: Gij zijt er; Daal ik in het dodenrijk af: Gij zijt er!
9Si je prends les ailes de l’aurore, Et que j’aille habiter à l’extrémité de la mer,
9Sla ik de wieken als het morgenrood uit, En laat ik mij neer aan de grenzen der zee:
10Là aussi ta main me conduira, Et ta droite me saisira.
10Ook daar nog leidt mij uw hand, En houdt uw rechter mij vast.
11Si je dis: Au moins les ténèbres me couvriront, La nuit devient lumière autour de moi;
11Al zeg ik: Ha, de duisternis zal mij bedekken, De nacht mij verschuilen:
12Même les ténèbres ne sont pas obscures pour toi, La nuit brille comme le jour, Et les ténèbres comme la lumière.
12Dan maakt duisternis zelfs het niet donker voor U, Straalt de nacht als de dag, het donker als licht!
13C’est toi qui as formé mes reins, Qui m’as tissé dans le sein de ma mère.
13Want Gij hebt mijn nieren geschapen, Mij in de schoot van mijn moeder gevormd:
14Je te loue de ce que je suis une créature si merveilleuse. Tes œuvres sont admirables, Et mon âme le reconnaît bien.
14Ik dank U voor het ontzaglijk wonder van mijn ontstaan, En voor uw heerlijke werken.
15Mon corps n’était point caché devant toi, Lorsque j’ai été fait dans un lieu secret, Tissé dans les profondeurs de la terre.
15Gij hebt ook mijn ziel zorgvuldig gekend, En mijn gebeente bleef voor U niet verborgen, Toen ik in dat geheimvolle oord werd geschapen, Kunstig bewerkt in de diepten der aarde.
16Quand je n’étais qu’une masse informe, tes yeux me voyaient; Et sur ton livre étaient tous inscrits Les jours qui m’étaient destinés, Avant qu’aucun d’eux existât.
16Uw ogen hebben mijn vormeloze leden aanschouwd, In uw boek stonden ze allen beschreven: Ook de dagen, waarop ze werden gemaakt, Voordat er nog één van bestond.
17Que tes pensées, ô Dieu, me semblent impénétrables! Que le nombre en est grand!
17Maar hoe ondoorgrondelijk zijn ùw gedachten voor mij, Hoe overweldigend is haar getal, o mijn God;
18Si je les compte, elles sont plus nombreuses que les grains de sable. Je m’éveille, et je suis encore avec toi.
18Ga ik ze tellen, ze zijn talrijker nog dan het zand, En als ik ontwaak, is mijn geest met U bezig!
19O Dieu, puisses-tu faire mourir le méchant! Hommes de sang, éloignez-vous de moi!
19Dood dan de bozen, o God, En laat de bloeddorstigen ver van mij blijven:
20Ils parlent de toi d’une manière criminelle, Ils prennent ton nom pour mentir, eux, tes ennemis!
20Die zich tegen uw plannen verzetten, En uw raadsbesluiten willen verijdelen.
21Éternel, n’aurais-je pas de la haine pour ceux qui te haïssent, Du dégoût pour ceux qui s’élèvent contre toi?
21Zou ik niet haten, die U haten, o Jahweh, Niet walgen van wie tegen U opstaan?
22Je les hais d’une parfaite haine; Ils sont pour moi des ennemis.
22Ik haat ze zo fel, als ik haten kan, Mijn eigen vijanden zullen ze zijn!
23Sonde-moi, ô Dieu, et connais mon cœur! Éprouve-moi, et connais mes pensées!
23Beproef mij, o God, en doorgrond mijn hart, Toets mij, en ken mijn gedachten:
24Regarde si je suis sur une mauvaise voie, Et conduis-moi sur la voie de l’éternité!
24Zie, of ik op de weg der ongerechtigheid ben; Breng mij dan terug op het eeuwige pad!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.