詩篇 139
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1耶和華啊,你已經鑒察我,認識我。
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Jahweh, Gij doorschouwt mij volmaakt, Gij zijt het, die mij doorgrondt;
2我坐下,我起來,你都曉得; 你從遠處知道我的意念。
2Gij kent mijn zitten en staan, En verstaat mijn gedachten van verre.
3我行路,我躺臥,你都細察; 你也深知我一切所行的。
3Gij meet mijn lopen en liggen, Zijt met al mijn wegen vertrouwd;
4耶和華啊,我舌頭上的話, 你沒有一句不知道的。
4Ja, er komt geen woord op mijn tong, Of Gij kent het nauwkeurig, o Jahweh!
5你在我前後環繞我, 按手在我身上。
5Gij omsluit mij van achter en voren, En houdt mij geheel in uw hand.
6這樣的 知識奇妙,是我不能測的, 至高,是我不能及的。
6Te wonderlijk is mij uw weten, Te hoog: ik kan het niet vatten.
7我往哪裏去躲避你的靈? 我往哪裏逃、躲避你的面?
7Waar zou ik ooit uw geest ontlopen, Uw aanschijn kunnen ontvluchten?
8我若升到天上,你在那裏; 我若在陰間下榻,你也在那裏。
8Stijg ik ten hemel: Gij zijt er; Daal ik in het dodenrijk af: Gij zijt er!
9我若展開清晨的翅膀, 飛 到海極居住,
9Sla ik de wieken als het morgenrood uit, En laat ik mij neer aan de grenzen der zee:
10就是在那裏,你的手必引導我; 你的右手也必扶持我。
10Ook daar nog leidt mij uw hand, En houdt uw rechter mij vast.
11我若說:黑暗必定遮蔽我, 我周圍的亮光必成為黑夜;
11Al zeg ik: Ha, de duisternis zal mij bedekken, De nacht mij verschuilen:
12黑暗也不能遮蔽我,使你不見, 黑夜卻如白晝發亮。 黑暗和光明, 在你看 都是一樣。
12Dan maakt duisternis zelfs het niet donker voor U, Straalt de nacht als de dag, het donker als licht!
13我的肺腑是你所造的; 我在母腹中,你已覆庇我。
13Want Gij hebt mijn nieren geschapen, Mij in de schoot van mijn moeder gevormd:
14我要稱謝你,因我受造,奇妙可畏; 你的作為奇妙,這是我心深知道的。
14Ik dank U voor het ontzaglijk wonder van mijn ontstaan, En voor uw heerlijke werken.
15我在暗中受造,在地的深處被聯絡; 那時,我的形體並不向你隱藏。
15Gij hebt ook mijn ziel zorgvuldig gekend, En mijn gebeente bleef voor U niet verborgen, Toen ik in dat geheimvolle oord werd geschapen, Kunstig bewerkt in de diepten der aarde.
16我未成形的體質,你的眼早已看見了; 你所定的日子,我尚未度一日, 你都寫在你的冊上了。
16Uw ogen hebben mijn vormeloze leden aanschouwd, In uw boek stonden ze allen beschreven: Ook de dagen, waarop ze werden gemaakt, Voordat er nog één van bestond.
17上帝啊,你的意念向我何等寶貴! 其數何等眾多!
17Maar hoe ondoorgrondelijk zijn ùw gedachten voor mij, Hoe overweldigend is haar getal, o mijn God;
18我若數點,比海沙更多; 我睡醒的時候,仍和你同在。
18Ga ik ze tellen, ze zijn talrijker nog dan het zand, En als ik ontwaak, is mijn geest met U bezig!
19上帝啊,你必要殺戮惡人; 所以,你們好流人血的,離開我去吧!
19Dood dan de bozen, o God, En laat de bloeddorstigen ver van mij blijven:
20因為他們說惡言頂撞你; 你的仇敵也妄稱 你的名 。
20Die zich tegen uw plannen verzetten, En uw raadsbesluiten willen verijdelen.
21耶和華啊,恨惡你的,我豈不恨惡他們嗎? 攻擊你的,我豈不憎嫌他們嗎?
21Zou ik niet haten, die U haten, o Jahweh, Niet walgen van wie tegen U opstaan?
22我切切地恨惡他們, 以他們為仇敵。
22Ik haat ze zo fel, als ik haten kan, Mijn eigen vijanden zullen ze zijn!
23上帝啊,求你鑒察我,知道我的心思, 試煉我,知道我的意念,
23Beproef mij, o God, en doorgrond mijn hart, Toets mij, en ken mijn gedachten:
24看在我裏面有甚麼惡行沒有, 引導我走永生的道路。
24Zie, of ik op de weg der ongerechtigheid ben; Breng mij dan terug op het eeuwige pad!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.