詩篇 53
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1愚頑人心裏說:沒有上帝。 他們都是邪惡,行了可憎惡的罪孽; 沒有一個人行善。
1Voor muziekbegeleiding; op de fluit. Een leerdicht van David. De dwaas zegt bij zichzelf: “Er is geen God!” Slecht en schandelijk is zijn gedrag; Er is niemand, die het goede wil doen.
2上帝從天上垂看世人,要看有明白的沒有? 有尋求他的沒有?
2God blikt uit de hemelen neer Op de kinderen der mensen: Om te zien, of er niet één verstandige is, Niet één, die God zoekt.
3他們各人都退後,一同變為污穢; 並沒有行善的,連一個也沒有。
3Maar allen zijn ze afgedwaald, Allen even bedorven; Er is niemand, die het goede wil doen, Geen enkele zelfs.
4作孽的沒有知識嗎? 他們吞吃我的百姓如同吃飯一樣,並不求告上帝。
4Worden de zondaars dan nimmer verstandig: Ze blijven mijn volk maar verslinden, En het brood van God wel eten, Maar zij roepen Hem niet aan.
5他們在無可懼怕之處就大大害怕, 因為上帝把那安營攻擊你之人的骨頭散開了。 你使他們蒙羞,因為上帝棄絕了他們。
5Maar dan zullen ze eens beven van angst, Want God zal hun gebeente verstrooien; Die u omsingelen, zult gij beschamen, Want God heeft ze verworpen.
6但願 以色列 的救恩從 錫安 而出。 上帝救回他被擄的子民那時, 雅各 要快樂, 以色列 要歡喜。
6Ach, dat uit Sion Israëls redding mocht dagen, Als God het lot van zijn volk ten beste keert! Dan zal Jakob jubelen, En Israël juichen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.