Psalmorum 91
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Psalmus cantici, in die sabbati.
1Wie onder de hoede van den Allerhoogste verblijft, En in de schaduw van den Almachtige woont,
2[Bonum est confiteri Domino, et psallere nomini tuo, Altissime:
2Mag zeggen tot Jahweh: “Mijn toevlucht en sterkte, Mijn God, op wien ik vertrouw!”
3ad annuntiandum mane misericordiam tuam, et veritatem tuam per noctem,
3Want Hij behoedt u voor de strik van den jager, En voor de verraderlijke kuil;
4in decachordo, psalterio; cum cantico, in cithara.
4Hij zal met zijn vleugelen u dekken, En onder zijn wieken vindt gij een schuilplaats.
5Quia delectasti me, Domine, in factura tua; et in operibus manuum tuarum exsultabo.
5Gij hebt de verschrikkingen van de nacht niet te vrezen, Geen pijl, die vliegt overdag;
6Quam magnificata sunt opera tua, Domine ! nimis profundæ factæ sunt cogitationes tuæ.
6Geen pest, die in de duisternis rondsluipt, Geen besmetting, die ‘s middags haar verwoestingen aanricht.
7Vir insipiens non cognoscet, et stultus non intelliget hæc.
7Al vallen er duizend aan uw zijde, Tienduizend aan uw rechterhand, U treffen ze niet; Zijn trouw is een schild en een pantser!
8Cum exorti fuerint peccatores sicut fœnum, et apparuerint omnes qui operantur iniquitatem, ut intereant in sæculum sæculi:
8Ja, met eigen ogen zult gij het zien, En de vergelding der bozen aanschouwen;
9tu autem Altissimus in æternum, Domine.
9Want úw toevlucht is Jahweh, Den Allerhoogste hebt gij u tot beschermer gekozen.
10Quoniam ecce inimici tui, Domine, quoniam ecce inimici tui peribunt; et dispergentur omnes qui operantur iniquitatem.
10Geen onheil zal u dus treffen, Geen plaag uw tenten bereiken;
11Et exaltabitur sicut unicornis cornu meum, et senectus mea in misericordia uberi.
11Want Hij zal voor u zijn engelen ontbieden, Om u op al uw wegen te hoeden.
12Et despexit oculus meus inimicos meos, et in insurgentibus in me malignantibus audiet auris mea.
12Zij zullen u op de handen dragen, Opdat gij aan geen steen uw voeten zult stoten;
13Justus ut palma florebit; sicut cedrus Libani multiplicabitur.
13Op slang en adder zult gij treden, Leeuwenwelp en draak vertrappen.
14Plantati in domo Domini, in atriis domus Dei nostri florebunt.
14“Omdat hij Mij liefheeft, zal Ik hem redden, En omdat hij mijn Naam kent, hem beschermen; Roept hij Mij aan, Dan antwoord Ik hem.”
15Adhuc multiplicabuntur in senecta uberi, et bene patientes erunt:
15Ik zelf sta hem bij in de nood; Ik red hem en herstel hem in ere:
16ut annuntient quoniam rectus Dominus Deus noster, et non est iniquitas in eo.]
16Lengte van dagen zal Ik hem schenken, En hem mijn heil doen aanschouwen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.