Psalmorum
Chapter 35
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psalmorum 35

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1In finem. Servo Domini ipsi David.
1Van David. Bestrijd, o Jahweh, die mij bestrijden, Kamp tegen hen, die mij bekampen!
2[Dixit injustus ut delinquat in semetipso: non est timor Dei ante oculos ejus.
2Grijp schild en beukelaar, Sta op, mij te hulp;
3Quoniam dolose egit in conspectu ejus, ut inveniatur iniquitas ejus ad odium.
3Trek speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, Zeg tot mijn ziel: “Uw redding ben Ik!”
4Verba oris ejus iniquitas, et dolus; noluit intelligere ut bene ageret.
4Laat smaad en schande hen treffen, die mijn leven belagen, Vol schaamte vluchten, die boze plannen tegen mij smeden.
5Iniquitatem meditatus est in cubili suo; astitit omni viæ non bonæ: malitiam autem non odivit.
5Ze mogen worden als kaf voor de wind, Wanneer de Engel van Jahweh ze opjaagt;
6Domine, in cælo misericordia tua, et veritas tua usque ad nubes.
6Hun weg zij donker en glad, Wanneer de Engel van Jahweh ze nazet.
7Justitia tua sicut montes Dei; judicia tua abyssus multa. Homines et jumenta salvabis, Domine,
7Want zonder reden hebben ze mij hun netten gespannen, Zonder aanleiding een kuil mij gegraven.
8quemadmodum multiplicasti misericordiam tuam, Deus. Filii autem hominum in tegmine alarum tuarum sperabunt.
8Moge hem de ondergang treffen, Eer hij het weet; Laat het net, dat hij spande, hem vangen, Laat hem vallen in zijn eigen kuil!
9Inebriabuntur ab ubertate domus tuæ, et torrente voluptatis tuæ potabis eos:
9Dan zal mijn ziel in Jahweh juichen, Zich over mijn redding verheugen;
10quoniam apud te est fons vitæ, et in lumine tuo videbimus lumen.
10En heel mijn gebeente zal zeggen: “Jahweh, wie is U gelijk? Gij beschermt den zwakke tegen den sterke, Den zwakke en arme tegen zijn berovers!”
11Prætende misericordiam tuam scientibus te, et justitiam tuam his qui recto sunt corde.
11Ze staan tegen mij op Als valse getuigen; En wat ik mij niet ben bewust, Brengen ze tegen mij in.
12Non veniat mihi pes superbiæ, et manus peccatoris non moveat me.
12Goed met kwaad vergelden ze mij, En leggen het op mijn leven aan.
13Ibi ceciderunt qui operantur iniquitatem; expulsi sunt, nec potuerunt stare.]
13En toch, toen zìj ziek lagen, Trok ik het boetekleed aan, Putte mij door vasten uit, En het gebed was niet weg uit mijn hart;
no verse 14 in this text
14Ik liep rond, als gold het mijn broer of mijn vriend, Onder droefheid gebukt, als in rouw voor mijn moeder.
no verse 15 in this text
15Maar nu ik zelf dreig te vallen, worden ze vrolijk, Lopen te hoop en scholen tegen mij samen; Als vreemden, die ik niet ken, Gaan ze tegen mij schelden,
no verse 16 in this text
16Honen mij met bittere spot, En knarsetanden tegen mij.
no verse 17 in this text
17Hoe lang nog, o Heer, Zult Gij dit aanzien? Verlos mij toch van hun brullen, Het enige, dat mij nog rest, uit de macht van de leeuwen!
no verse 18 in this text
18Dan zal ik U loven in de grote gemeente, Voor een talloze schare U prijzen.
no verse 19 in this text
19Laat toch mijn valse vijand niet om mij lachen, Geen knipoogjes geven, die mij onverdiend haten.
no verse 20 in this text
20Want nooit spreken ze woorden van vrede, Doch verzinnen maar leugens tegen het vreedzame volk;
no verse 21 in this text
21Ze zetten een grote mond tegen mij op, En zeggen: Ha, ha! We hebben het met eigen ogen gezien!
no verse 22 in this text
22Jahweh! Gìj hebt het gezien; blijf niet zwijgen! Heer; houd U niet verre van mij!
no verse 23 in this text
23Ontwaak en sta op, om mij recht te verschaffen, Om mij te verdedigen, mijn God en mijn Heer.
no verse 24 in this text
24Schaf mij recht naar uw gerechtigheid, Jahweh, mijn God; Laat ze niet over mij juichen.
no verse 25 in this text
25Laat ze niet denken: “Ha, nu zijn wij tevreden!” Niet zeggen: “We hebben hem onder de voet!”
no verse 26 in this text
26Neen, laat ze allen blozen van schaamte, Die zich vrolijk maken over mijn ongeluk; Met smaad en schande worden bedekt, Die een hoge toon tegen mij aanslaan.
no verse 27 in this text
27Maar mogen juichen en jubelen Die van mijn goed recht zijn doordrongen; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot, Die enkel het heil van zijn dienaar beoogt!”
no verse 28 in this text
28Dan zal mijn tong uw gerechtigheid prijzen, En elke dag uw lof verbreiden.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.