Psalms 38
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Unto the end, for Idithun himself, a canticle of David.
1Van David; bij het herinneringsoffer. Jahweh, tuchtig mij niet in uw toorn, Kastijd mij niet in uw gramschap:
2I said: I will take heed to my ways: that I sin not with my tongue. I have set guard to my mouth, when the sinner stood against me.
2Want uw pijlen hebben mij getroffen, Uw hand drukt zwaar op mij neer.
3I was dumb, and was humbled, and kept silence from good things: and my sorrow was renewed.
3Er is geen gezonde plek aan mijn vlees om uw toorn, Niets gaafs aan mijn gebeente om mijn zonden;
4My heart grew hot within me: and in my meditation a fire shall flame out.
4Want mijn misdaden stapelen zich op mijn hoofd, En drukken mij neer als een loodzware last.
5I spoke with my tongue: O Lord, make me know my end. And what is the number of my days: that I may know what is wanting to me.
5Mijn wonden stinken en dragen Om mijn verdwazing;
6Behold thou hast made my days measurable: and my substance is as nothing before thee. And indeed all things are vanity: every man living.
6Ik ga gebukt en geknakt, Loop heel de dag maar treurend rond.
7Surely man passeth as an image: yea, and he is disquieted in vain. He storeth up: and he knoweth not for whom he shall gather these things.
7Mijn lenden zijn aan alle kanten ontstoken, Geen gezonde plek aan mijn vlees;
8And now what is my hope? is it not the Lord? and my substance is with thee.
8Ik ben uitgeput en gebroken, En snik het uit door het gekerm van mijn hart.
9Deliver thou me from all my iniquities: thou hast made me a reproach to the fool.
9Heer, al mijn jammeren is U bekend, Mijn zuchten voor U niet verborgen;
10I was dumb, and I opened not my mouth, because thou hast done it.
10Wild bonst mijn hart, de kracht ontzinkt mij, Zelfs het licht van mijn ogen is heen.
11Remove thy scourges from me. The strength of thy hand hath made me faint in rebukes:
11Mijn vrienden en makkers keren zich af om mijn plagen, En mijn verwanten staan op een afstand te spotten;
12Thou hast corrected man for iniquity. And thou hast made his soul to waste away like a spider: surely in vain is any man disquieted.
12Die mijn leven belagen en mijn ongeluk zoeken, Bespreken mijn val, en belasteren mij de hele dag.
13Hear my prayer, O Lord, and my supplication: give ear to my tears. Be not silent: for I am a stranger with thee, and a sojourner as all my fathers were.
13Maar ik ben als een dove, die het niet hoort, Als een stomme, die zijn mond niet opent,
14O forgive me, that I may be refreshed, before I go hence, and be no more.
14Als een man, die niet luistert, En wiens mond geen antwoord meer weet.
no verse 15 in this text
15Neen, Jahweh, ik verlaat mij op U: Antwoord Gij, mijn Heer en mijn God;
no verse 16 in this text
16Want ik vrees, dat men zich vrolijk over mij maakt, Een grote mond tegen mij zet, nu mijn voeten wankelen.
no verse 17 in this text
17Ja, ieder ogenblik dreig ik te vallen, Mijn ellende staat mij steeds voor de geest;
no verse 18 in this text
18Want ik moet wel mijn misdaad bekennen, En bekommerd zijn over mijn schuld.
no verse 19 in this text
19En machtig zijn ook, die zonder reden mijn vijanden zijn, Talrijk, die mij onverdiend haten,
no verse 20 in this text
20Die goed vergelden met kwaad, Mij ondanks mijn beste bedoeling bestrijden.
no verse 21 in this text
21Jahweh, verlaat mij dus niet; Mijn God, blijf niet verre van mij!
no verse 22 in this text
22Kom mij spoedig te hulp, Mijn Heer en mijn Heil!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.