Salmi
Chapter 90
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmi 90

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O SIGNORE, tu ci sei stato un abitacolo In ogni età.
1Een gebed van Moses, den man Gods. Heer, Gij waart ons een schuts van geslacht tot geslacht,
2Avanti che i monti fosser nati, E che tu avessi formata la terra ed il mondo; Anzi ab eterno in eterno tu sei Dio.
2Voordat de bergen waren geboren; Eer aarde en wereld werden gebaard, Zijt Gij, o God, in de eeuwen der eeuwen!
3Tu fai ritornar l'uomo in polvere, E dici: Ritornate, o figliuoli degli uomini.
3Maar de mensen laat Gij tot stof vergaan, En zegt: Keert er toe terug, gij kinderen der mensen!
4Perciocchè mille anni sono appo te Come il giorno d'ieri, quando è passato; O come una vegghia nella notte.
4Ja, duizend jaren zijn als de dag van gisteren in uw oog, En als een nachtwaak, wanneer ze voorbij is.
5Tu porti via gli uomini , come per una piena d'acque; Essi non sono altro che un sogno; Son come l'erba che si rinnovella la mattina.
5Gij laat ze verdwijnen als slaap in de morgen, En als het welig tierende gras,
6La mattina ella fiorisce e si rinnovella; E la sera è segata e si secca.
6Dat ‘s morgens opgroeit en bloeit, Maar ‘s avonds verwelkt en verdort.
7Perciocchè noi veniam meno per la tua ira; E siam conturbati per lo tuo cruccio.
7Want wij komen om door uw toorn, Verdwijnen plotseling door uw gramschap.
8Tu metti davanti a te le nostre iniquità, E i nostri peccati occulti alla luce della tua faccia.
8Gij hebt U onze zonden voor ogen gesteld, Onze geheime fouten in het licht van uw aanschijn:
9Conciossiachè tutti i nostri giorni dichinino per la tua ira; Noi abbiam forniti gli anni nostri così presto come una parola.
9Zo snellen door uw toorn onze dagen voorbij, En vliegen onze jaren heen als een zucht.
10I giorni de' nostri anni, in alcuni non sono che settant'anni; E in altri , se ve ne sono di maggiori forze, che ottant'anni; Ed anche il fiore di quelli non è altro che travaglio e vanità; Perciocchè di subito è riciso, e noi ce ne voliam via.
10Ons leven duurt maar zeventig jaren, Of zijn we krachtig, tachtig jaar. Het meeste daarvan is nog onheil en jammer, Want de verzwakking komt snel, en dan vlieden we heen.
11Chi conosce la forza della tua ira, E la tua indegnazione, secondo che devi esser temuto?
11Ach, mochten we toch de kracht van uw gramschap beseffen, En uw toorn leren vrezen!
12Insegna ci adunque a contare i nostri dì; Acciocchè acquistiamo un cuor savio.
12Leer ons dan zó onze dagen tellen, Dat we er verstandig van harte door worden.
13Rivolgiti, Signore; infino a quando? E sii rappacificato inverso i tuoi servitori.
13Ach Jahweh, wend U eindelijk toch eens tot ons, En ontferm U over uw dienaars;
14Saziaci ogni mattina della tua benignità; Acciocchè giubiliamo, e ci rallegriamo tutti i dì nostri.
14Verzadig ons met uw genade, als we nog jong zijn, Opdat we heel ons leven mogen jubelen en juichen.
15Rallegraci, al par de' giorni che tu ci hai affliti; Degli anni che abbiamo sentito il male.
15Geef ons vreugde, even lang als Gij ons hebt gekastijd; Evenveel jaren als wij ellende doorstonden.
16Apparisca l'opera tua verso i tuoi servitori, E la tua gloria verso i lor figliuoli.
16Laat uw dienaars uw machtige daden aanschouwen, En hun kinderen uw glorie!
17E sia il piacevole sguardo del Signore Iddio nostro sopra noi; E addirizza, o Signore , sopra noi l'opera delle nostre mani.
17Moge de goedheid van Jahweh, onzen God, met ons blijven, En het werk onzer handen doen gedijen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.