Salmi
Chapter 34
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmi 34

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1IO benedirò il Signore in ogni tempo; La sua lode sarà sempre nella mia bocca.
1Van David, toen hij zich voor Abimé als een krankzinnige had aangesteld, door hem was weggejaagd, en was heengegaan. Altijd wil ik Jahweh prijzen, Steeds trilt zijn lofzang in mijn mond.
2L'anima mia si glorierà nel Signore; Gli umili l'udiranno, e si rallegreranno.
2Mijn ziel zal roemen in Jahweh; Bedrukten zullen het horen, en juichen.
3Magnificate meco il Signore, Ed esaltiamo tutti insieme il suo Nome.
3Verheerlijkt Jahweh met mij, Laat ons te zamen zijn Naam verheffen:
4Io ho cercato il Signore, ed egli mi ha risposto, E mi ha liberato da tutti i miei spaventi.
4Ik heb Jahweh gesmeekt; Hij heeft mij verhoord, En mij van al mijn angsten bevrijd.
5Quelli che hanno riguardato a lui sono stati illuminati, E le lor facce non sono state svergognate.
5Ziet naar Hem op, dan straalt gij van vreugde, En uw gelaat zal niet blozen van schaamte.
6Questo povero afflitto ha gridato, e il Signore l'ha esaudito, E l'ha salvato da tutte le sue distrette.
6Hier is een rampzalige, die om hulp heeft geroepen: Jahweh heeft hem gehoord, en van al zijn ellende verlost.
7Gli Angeli del Signore sono accampati intorno a quelli che lo temono, E li liberano.
7De engel van Jahweh slaat zijn legerplaats op Rond die Hem vrezen, om ze te redden!
8Gustate, e vedete quanto il Signore è buono; Beato l'uomo che spera in lui.
8Smaakt en beseft dan de goedheid van Jahweh; Gelukkig de man, die zijn hoop op Hem stelt.
9Temete il Signore, voi suoi santi; Poichè nulla manca a quelli che lo temono.
9Vreest Jahweh, zijn vromen, Want die Hem duchten, ontbreekt het aan niets;
10I leoncelli soffrono necessità e fame; Ma quelli che cercano il Signore non hanno mancamento di alcun bene.
10Rijken kunnen verarmen en hongeren, Die Jahweh zoekt, komt niets te kort.
11Venite, figliuoli, ascoltatemi; Io v'insegnerò il timor del Signore.
11Komt nu, kinderen, en luistert naar mij! Ik leer u, hoe men Jahweh moet vrezen,
12Quale è l'uomo che abbia voglia di vivere, Che ami lunghezza di giorni per veder del bene?
12En wie het is, die van het leven geniet, Lengte van dagen zich wenst, om het goede te zien:
13Guarda la tua lingua dal male, E le tue labbra da parlar frode.
13Bewaar uw tong voor het kwaad, En uw lippen voor leugen;
14Ritratti dal male, e fa' il bene; Cerca la pace, e procacciala.
14Vlucht het kwaad, doe enkel wat goed is; Zoek de vrede, en jaag hem na!
15Gli occhi del Signore son verso i giusti, E le sue orecchie sono attente al grido loro.
15De ogen van Jahweh zijn op de vromen gericht, Zijn oren naar hun smeken gekeerd;
16La faccia del Signore è contro a quelli che fanno male, Per isterminare la lor memoria d'in su la terra.
16Maar Jahweh’s aanschijn blikt grimmig tegen de bozen, Om hun gedachtenis van de aarde te delgen.
17I giusti gridano, e il Signore li esaudisce, E li libera da tutte le lor distrette.
17De vromen roepen, en Jahweh verhoort hen, En verlost ze van al hun ellende;
18Il Signore è presso di quelli che hanno il cuor rotto, E salva quelli che hanno lo spirito contrito.
18Gebroken harten blijft Jahweh nabij, Vermorzelde zielen komt Hij te hulp.
19Molte son le afflizioni del giusto; Ma il Signore lo libererà da tutte.
19Hoe talrijk de rampen van den rechtvaardige ook zijn, Jahweh redt hem er uit;
20Egli guarda tutte le ossa di esso: E niuno ne può esser rotto.
20Jahweh is voor al zijn beenderen bezorgd, Niet één daarvan wordt gebroken.
21La malvagità farà morire il malvagio, E quelli che odiano il giusto saran distrutti.
21De zonde brengt den boze de dood, En wie den rechtvaardige haat, moet het boeten.
22Il Signore riscatta l'anima de' suoi servitori; E niuno di quelli che sperano in lui sarà distrutto.
22Maar zijn dienaars spaart Jahweh het leven; Wie tot Hem vlucht, zal het nimmer berouwen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.