Salmi 69
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1SALVAMI, o Dio; Perciocchè le acque son pervenute infino all'anima.
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “De leliën.” Van David. Red mij, o God! Want het water staat aan mijn lippen;
2Io sono affondato in un profondo pantano, Ove non vi è luogo da fermare il piè ; Io son giunto alle profondità dell'acqua, e la corrente m'inonda.
2Ik zink in een modderpoel weg, En voel geen grond meer onder de voeten; Ik ben in peilloze wateren geraakt, En de stroom sleurt mij mee.
3Io sono stanco di gridare, io ho la gola asciutta; Gli occhi mi son venuti meno, aspettando l'Iddio mio.
3Ik ben afgemat van mijn schreien en schor is mijn keel; Mijn ogen staan mat van het staren naar God.
4Quelli che mi odiano senza cagione Sono in maggior numero che i capelli del mio capo; Quelli che mi disertano, e che mi sono nemici a torto, si fortificano; Ecco là, io ho renduto ciò che non aveva rapito.
4Talrijker dan de haren op mijn hoofd, zijn zij, die mij onverdiend haten. Talrijker dan mijn beenderen, die mij bestrijden zonder enige grond; En wat ik niet heb geroofd, Vordert men nog van mij terug.
5O Dio, tu conosci la mia follia; E le mie colpe non ti sono occulte.
5Gij zoudt het weten, o God, als ik iets dwaas had gedaan, En als ik schuld had, was het U niet verborgen!
6O Signore, Dio degli eserciti, Quelli che sperano in te non sieno confusi per cagion di me; Quelli che ti cercano non sieno svergognati per me, O Dio d'Israele.
6Laat dus in mij niet worden beschaamd, Die op U hopen, Heer, Jahweh der heirscharen; In mij niet te schande worden, Die U zoeken, Israëls God!
7Perciocchè per l'amor di te io soffro vituperio; Vergogna mi ha coperta la faccia.
7Neen, om Uwentwil moet ik schande verduren, En bedekt het schaamrood mijn gelaat!
8Io son divenuto strano a' miei fratelli, E forestiere a' figliuoli di mia madre.
8Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders geworden, Een onbekende voor de zonen mijner moeder:
9Perciocchè lo zelo della tua Casa mi ha roso; E i vituperii di quelli che ti fanno vituperio mi caggiono addosso.
9Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, Op mij valt de smaad van hen, die U smaden.
10Io ho pianto, affliggendo l'anima mia col digiuno; Ma ciò mi è tornato in grande obbrobrio.
10Als ik ween, en mij door vasten kastijd, Wordt het mij tot schande gerekend;
11Ancora ho fatto d'un sacco il mio vestimento; Ma son loro stato in proverbio.
11Trek ik het boetekleed aan, Men gaat er mee spotten;
12Quelli che seggono nella porta ragionano di me; E le canzoni de' bevitori di cervogia ne parlano.
12Die in de poort zitten, praten over mij, En de slempers maken er liedjes op.
13Ma quant'è a me, o Signore, la mia orazione s'indirizza a te; Egli vi è un tempo di benevolenza; O Dio, per la grandezza della tua benignità, E per la verità della tua salute, rispondimi.
13Maar tot U richt ik mijn bede, o Jahweh, In de tijd der genade, o God. Verhoor mij om uw grote ontferming, En om de trouw van uw hulp;
14Tirami fuor del pantano, che io non vi affondi, E che io sia riscosso da quelli che mi hanno in odio, Dalle profondità delle acque;
14Red mij uit de modderpoel en laat mij er niet in verzinken; Verlos mij, en trek mij uit de diepe wateren omhoog!
15Che la corrente delle acque non m'inondi, E che il gorgo non mi tranghiotta, E che il pozzo non turi sopra me la sua bocca.
15Laat de watervloed mij niet overstelpen, de kolken verzwelgen, De afgrond zijn mond niet boven mij sluiten.
16Rispondimi, o Signore; perciocchè la tua benignità è buona; Secondo la grandezza delle tue compassioni riguarda verso me.
16Red mij, Jahweh, naar de goedertierenheid uwer genade, En zie op mij neer naar uw grote ontferming;
17E non nascondere il tuo volto dal tuo servo; Perciocchè io son distretto; affrettati, rispondimi.
17Verberg uw aanschijn niet voor uw dienaar, Verhoor mij spoedig, want het is mij bang om het hart!
18Accostati all'anima mia, riscattala; Riscuotimi, per cagion de' miei nemici.
18Wees mij nabij, en kom mij te hulp, Verlos mij om wille van mijn vijand!
19Tu conosci il vituperio, l'onta, e la vergogna che mi è fatta; Tutti i miei nemici son davanti a te.
19Gij kent toch mijn smaad, mijn schaamte en schande, En al mijn verdrukkers staan U voor ogen;
20Il vituperio mi ha rotto il cuore, e io son tutto dolente; Ed ho aspettato che alcuno si condolesse meco, ma non vi è stato alcuno; Ed ho aspettati de' consolatori, ma non ne ho trovati.
20Gij weet, hoe de smaad mij het hart heeft gebroken, En hoe vertwijfeld ik ben. Ik wachtte op een, die medelijden had, maar er was er geen, Op troosters, maar ik vond ze niet.
21Hanno, oltre a ciò, messo del veleno nella mia vivanda; E, nella mia sete, mi hanno dato a bere dell'aceto.
21Ze gaven mij gal in plaats van spijs, En lesten mijn dorst met azijn.
22Sia la lor mensa un laccio teso davanti a loro; E le lor prosperità sieno loro una trappola.
22Hun tafel worde hun tot een val, Hun offergelagen een strik;
23Gli occhi loro sieno oscurati, sì che non possano vedere; E fa' loro del continuo vacillare i lombi.
23Laat hun ogen worden beneveld, zodat ze niet zien, En ontwricht hun lenden voor immer;
24Spandi l'ira tua sopra loro, E colgali l'ardor del tuo cruccio.
24Stort uw gramschap over hen uit, Uw woede moge hen treffen!
25Sieno desolati i lor palazzi; Ne' lor tabernacoli non vi sia alcuno abitatore.
25Laat hun kamp tot steppe worden, En niemand hun tenten bewonen.
26Perciocchè hanno perseguitato colui che tu hai percosso, E fatte le lor favole del dolore di coloro che tu hai feriti.
26Neen, ze vervolgden nog, dien Gij hadt geslagen, En vergrootten de smarten van die door U was gewond;
27Aggiugni loro iniquità sopra iniquità; E non abbiano giammai entrata alla tua giustizia.
27Stapel de ene schuld op de andere, Zodat ze niet tot uw gerechtigheid komen;
28Sieno cancellati dal libro della vita; E non sieno scritti co' giusti.
28Laat ze uit het boek des levens worden geschrapt, Niet worden opgeschreven met de rechtvaardigen.
29Ora, quant'è a me, io sono afflitto e addolorato; La tua salute, o Dio, mi levi ad alto.
29Maar hoe ook geplaagd en bedroefd, Uw hulp, o God, zal mij redden!
30Io loderò il Nome di Dio con cantici, E lo magnificherò con lode.
30Dan zal ik de Naam van God in liederen prijzen, En Hem loven en danken!
31E ciò sarà più accettevole al Signore, che bue, Che giovenco con corna ed unghie.
31Dit zal Jahweh meer aangenaam zijn dan stieren, Meer dan varren met horens en hoeven.
32I mansueti, vedendo ciò , si rallegreranno; Ed il cuor vostro viverà, o voi che cercate Iddio.
32Verheugt u, ongelukkigen, wanneer gij dit ziet; Zoekt naar God, en uw hart leeft weer op.
33Perciocchè il Signore esaudisce i bisognosi, E non isprezza i suoi prigioni.
33Want Jahweh hoort de behoeftigen aan, En versmaadt de geknevelden niet.
34Lodinlo i cieli e la terra; I mari, e tutto ciò che in essi guizza.
34Hemel en aarde moeten Hem loven, De zeeën, met wat er in leeft!
35Perciocchè Iddio salverà Sion, ed edificherà le città di Giuda; E coloro vi abiteranno, e possederanno Sion per eredità.
35Want God zal Sion verlossen, En de steden van Juda herbouwen. Men zal daarin terugkeren, En ze bezetten;
36E la progenie de' suoi servitori l'erederà; E quelli che amano il suo Nome abiteranno in essa.
36Het geslacht van zijn dienaars zal ze erven, En wie zijn Naam liefheeft, daar wonen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.