مزامیر
Chapter 69
Old Persian Version (ترج…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1خدایا مرا نجات ده! زیرا آبها به‌جان من درآمده است.
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “De leliën.” Van David. Red mij, o God! Want het water staat aan mijn lippen;
2در خلاب ژرف فرورفته‌ام، جایی که نتوان ایستاد. به آبهای عمیق درآمده‌ام و سیل مرا می‌پوشاند.
2Ik zink in een modderpoel weg, En voel geen grond meer onder de voeten; Ik ben in peilloze wateren geraakt, En de stroom sleurt mij mee.
3از فریاد خودخسته شده‌ام و گلوی من سوخته و چشمانم ازانتظار خدا تار گردیده است.
3Ik ben afgemat van mijn schreien en schor is mijn keel; Mijn ogen staan mat van het staren naar God.
4آنانی که بی‌سبب ازمن نفرت دارند، از مویهای سرم زیاده‌اند ودشمنان ناحق من که قصد هلاکت من دارندزورآورند. پس آنچه نگرفته بودم، رد کردم.
4Talrijker dan de haren op mijn hoofd, zijn zij, die mij onverdiend haten. Talrijker dan mijn beenderen, die mij bestrijden zonder enige grond; En wat ik niet heb geroofd, Vordert men nog van mij terug.
5‌ای خدا، تو حماقت مرا می‌دانی و گناهانم از تومخفی نیست.
5Gij zoudt het weten, o God, als ik iets dwaas had gedaan, En als ik schuld had, was het U niet verborgen!
6‌ای خداوند یهوه صبایوت، منتظرین تو به‌سبب من خجل نشوند. ای خدای اسرائیل، طالبان تو به‌سبب من رسوا نگردند.
6Laat dus in mij niet worden beschaamd, Die op U hopen, Heer, Jahweh der heirscharen; In mij niet te schande worden, Die U zoeken, Israëls God!
7زیرا به‌خاطر تو متحمل عار گردیده‌ام ورسوایی روی من، مرا پوشیده است.
7Neen, om Uwentwil moet ik schande verduren, En bedekt het schaamrood mijn gelaat!
8نزدبرادرانم اجنبی شده‌ام و نزد پسران مادر خودغریب.
8Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders geworden, Een onbekende voor de zonen mijner moeder:
9زیرا غیرت خانه تو مرا خورده است وملامت های ملامت کنندگان تو بر من طاری گردیده.
9Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, Op mij valt de smaad van hen, die U smaden.
10روزه داشته، جان خود را مثل اشک ریخته‌ام. و این برای من عار گردیده است.
10Als ik ween, en mij door vasten kastijd, Wordt het mij tot schande gerekend;
11پلاس را لباس خود ساخته‌ام و نزد ایشان ضرب‌المثل گردیده‌ام.
11Trek ik het boetekleed aan, Men gaat er mee spotten;
12دروازه نشینان درباره من حرف می‌زنند و سرود می‌گساران گشته‌ام.
12Die in de poort zitten, praten over mij, En de slempers maken er liedjes op.
13و اما من، ای خداوند دعای خود را در وقت اجابت نزد تو می‌کنم. ای خدا در کثرت رحمانیت خود و راستی نجات خود مرا مستجاب فرما.
13Maar tot U richt ik mijn bede, o Jahweh, In de tijd der genade, o God. Verhoor mij om uw grote ontferming, En om de trouw van uw hulp;
14مرا از خلاب خلاصی ده تا غرق نشوم و ازنفرت کنندگانم و از ژرفیهای آب رستگار شوم.
14Red mij uit de modderpoel en laat mij er niet in verzinken; Verlos mij, en trek mij uit de diepe wateren omhoog!
15مگذار که سیلان آب مرا بپوشاند و ژرفی مراببلعد و هاویه دهان خود را بر من ببندد.
15Laat de watervloed mij niet overstelpen, de kolken verzwelgen, De afgrond zijn mond niet boven mij sluiten.
16‌ای خداوند مرا مستجاب فرما زیرا رحمت تونیکوست. به کثرت رحمانیتت بر من توجه نما.
16Red mij, Jahweh, naar de goedertierenheid uwer genade, En zie op mij neer naar uw grote ontferming;
17و روی خود را از بنده ات مپوشان زیرا در تنگی هستم مرا بزودی مستجاب فرما.
17Verberg uw aanschijn niet voor uw dienaar, Verhoor mij spoedig, want het is mij bang om het hart!
18به‌جانم نزدیک شده، آن را رستگار ساز. به‌سبب دشمنانم مرا فدیه ده.
18Wees mij nabij, en kom mij te hulp, Verlos mij om wille van mijn vijand!
19تو عار و خجالت و رسوایی مرا می‌دانی وجمیع خصمانم پیش نظر تواند.
19Gij kent toch mijn smaad, mijn schaamte en schande, En al mijn verdrukkers staan U voor ogen;
20عار، دل مراشکسته است و به شدت بیمار شده‌ام. انتظارمشفقی کشیدم، ولی نبود و برای تسلی دهندگان، اما نیافتم.
20Gij weet, hoe de smaad mij het hart heeft gebroken, En hoe vertwijfeld ik ben. Ik wachtte op een, die medelijden had, maar er was er geen, Op troosters, maar ik vond ze niet.
21مرا برای خوراک زردآب دادند وچون تشنه بودم مرا سرکه نوشانیدند.
21Ze gaven mij gal in plaats van spijs, En lesten mijn dorst met azijn.
22پس مائده ایشان پیش روی ایشان تله باد و چون مطمئن هستند دامی باشد.
22Hun tafel worde hun tot een val, Hun offergelagen een strik;
23چشمان ایشان تارگردد تا نبینند. و کمرهای ایشان را دائم لرزان گردان.
23Laat hun ogen worden beneveld, zodat ze niet zien, En ontwricht hun lenden voor immer;
24خشم خود را بر ایشان بریز و سورت غضب تو ایشان را دریابد.
24Stort uw gramschap over hen uit, Uw woede moge hen treffen!
25خانه های ایشان مخروبه گردد و در خیمه های ایشان هیچ‌کس ساکن نشود.
25Laat hun kamp tot steppe worden, En niemand hun tenten bewonen.
26زیرا برکسی‌که تو زده‌ای جفامی کنند و دردهای کوفتگان تو را اعلان می نمایند.
26Neen, ze vervolgden nog, dien Gij hadt geslagen, En vergrootten de smarten van die door U was gewond;
27گناه بر گناه ایشان مزید کن و درعدالت تو داخل نشوند.
27Stapel de ene schuld op de andere, Zodat ze niet tot uw gerechtigheid komen;
28از دفتر حیات محوشوند و با صالحین مرقوم نگردند.
28Laat ze uit het boek des levens worden geschrapt, Niet worden opgeschreven met de rechtvaardigen.
29و اما من، مسکین و دردمند هستم. پس‌ای خدا، نجات تو مرا سرافراز سازد.
29Maar hoe ook geplaagd en bedroefd, Uw hulp, o God, zal mij redden!
30و نام خدا رابا سرود تسبیح خواهم خواند و او را با حمدتعظیم خواهم نمود.
30Dan zal ik de Naam van God in liederen prijzen, En Hem loven en danken!
31و این پسندیده خداخواهد بود، زیاده از گاو و گوساله‌ای که شاخها وسمها دارد.
31Dit zal Jahweh meer aangenaam zijn dan stieren, Meer dan varren met horens en hoeven.
32حلیمان این را دیده، شادمان شوند، و‌ای طالبان خدا دل شما زنده گردد،
32Verheugt u, ongelukkigen, wanneer gij dit ziet; Zoekt naar God, en uw hart leeft weer op.
33زیرا خداوند فقیران را مستجاب می‌کند واسیران خود را حقیر نمی شمارد.
33Want Jahweh hoort de behoeftigen aan, En versmaadt de geknevelden niet.
34آسمان وزمین او را تسبیح بخوانند. آبها نیز و آنچه در آنهامی جنبد.
34Hemel en aarde moeten Hem loven, De zeeën, met wat er in leeft!
35زیرا خدا صهیون را نجات خواهدداد و شهرهای یهودا را بنا خواهد نمود تا در آنجاسکونت نمایند و آن را متصرف گردند.
35Want God zal Sion verlossen, En de steden van Juda herbouwen. Men zal daarin terugkeren, En ze bezetten;
36وذریت بندگانش وارث آن خواهند شد و آنانی که نام او را دوست دارند، در آن ساکن خواهندگردید.
36Het geslacht van zijn dienaars zal ze erven, En wie zijn Naam liefheeft, daar wonen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.