Salmi
Chapter 106
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmi 106

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ALLELUIA. Celebrate il Signore; perciocchè egli è buono; Perciocchè la sua benignità è in eterno.
1Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig!
2Chi potrà raccontar le potenze del Signore? Chi potrà pubblicar tutta la sua lode?
2Wie kan Jahweh’s machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden?
3Beati coloro che osservano la dirittura, Che fanno ciò ch'è giusto in ogni tempo.
3Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen!
4Ricordati di me, o Signore, Secondo la tua benevolenza verso il tuo popolo; Visitami colla tua salute;
4Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil,
5Acciocchè io vegga il bene de' tuoi eletti, E mi rallegri dell'allegrezza della tua gente, E mi glorii colla tua eredità.
5Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen!
6Noi, e i nostri padri, abbiam peccato, Abbiamo operato iniquamente ed empiamente.
6Ach, wij hebben gezondigd met onze vaderen, Wij hebben misdreven en kwaad gedaan!
7I nostri padri in Egitto non considerarono le tue maraviglie, Non si ricordarono della grandezza delle tue benignità; E si ribellarono presso al mare, nel Mar rosso.
7Onze vaderen in Egypte Hebben al niet op uw wonderen gelet; En zonder aan uw talrijke gunsten te denken, Zich bij de Rode Zee tegen den Allerhoogste verzet!
8Ma pure il Signore li salvò per l'amor del suo Nome, Per far nota la sua potenza;
8Toch redde Hij hen om wille van zijn Naam, En om zijn almacht te tonen:
9E sgridò il Mar rosso, ed esso si seccò; E li fece camminar per gli abissi, come per un deserto.
9Hij bedreigde de Rode Zee, ze liep droog, Hij leidde hen tussen de golven als door een uitgedroogd land.
10E li salvò di man di coloro che li odiavano, E li riscosse di man del nemico.
10Hij redde hen uit de hand van hun haters, Verloste hen uit de macht van hun vijand;
11E le acque copersero i lor nemici; E non ne scampò pure uno
11De wateren spoelden over hun vijanden heen, En geen bleef er over!
12Allora credettero alle sue parole; Cantarono la sua lode.
12Toen sloegen ze geloof aan zijn woorden, En zongen zijn lof.
13Ma presto dimenticarono le sue opere; Non aspettarono il suo consiglio;
13Maar spoedig waren ze weer zijn werken vergeten, En wachtten zijn raadsbesluiten niet af;
14E si accessero di cupidigia nel deserto; E tentarono Iddio nella solitudine.
14Ze gaven zich in de woestijn aan hun gulzigheid over, En stelden God op de proef in de steppe.
15Ed egli diede loro ciò che chiedevano; Ma mandò la magrezza nelle lor persone.
15Hij schonk hun wat ze Hem vroegen, Maar Hij liet ze er spoedig van walgen.
16Oltre a ciò furono mossi d'invidia contro a Mosè, nel campo; E contro ad Aaronne, il Santo del Signore.
16Daarna werden ze in hun kamp afgunstig op Moses, En op Aäron, aan Jahweh gewijd.
17La terra si aperse, e tranghiottì Datan, E coperse il seguito di Abiram.
17Maar de aarde spleet open, zwolg Datan in, En bedolf de bent van Abiram;
18E il fuoco arse la lor raunanza; La fiamma divampò gli empi.
18Vuur verbrandde hun aanhang, Vlammen verteerden de bozen!
19Fecero un vitello in Horeb, E adorarono una statua di getto;
19Dan maakten ze een kalf bij de Horeb, En wierpen zich voor een afgietsel neer;
20E mutarono la lor gloria In una somiglianza di bue che mangia l'erba.
20Ze verruilden hun Glorie Voor het beeld van een grasvretend rund.
21Dimenticarono Iddio, lor Salvatore, Il quale aveva fatte cose grandi in Egitto;
21Ze vergaten God, hun Verlosser Die grote dingen in Egypte had gedaan,
22Cose maravigliose nel paese di Cam, Tremende al Mar rosso.
22Wonderwerken in het land van Cham, Ontzaglijke daden bij de Rode Zee.
23Onde egli disse di sterminarli; Se non che Mosè, suo eletto, si presentò alla rottura davanti a lui, Per istornar l'ira sua che non distruggesse.
23En zeker had Hij hun verdelging beslist, Als Moses, zijn geliefde, er niet was geweest; Maar deze stelde zich tegen Hem in de bres, Om Hem te weerhouden, hen in zijn toorn te vernielen.
24Disdegnarono ancora il paese desiderabile; Non credettero alla sua parola.
24Later versmaadden ze het heerlijke land, En sloegen geen geloof aan zijn woord;
25E mormorarono ne' lor tabernacoli; Non attesero alla voce del Signore.
25Ze begonnen in hun tenten te morren, En luisterden niet naar Jahweh’s stem.
26Onde egli alzò loro la mano, Che li farebbe cader nel deserto;
26Toen stak Hij zijn hand tegen hen op: Hij zou ze neerslaan in de woestijn,
27E che farebbe cader la lor progenie fra le genti, E che li dispergerebbe per li paesi.
27Hun zaad verstrooien onder de volken, Ze over vreemde landen verspreiden!
28Oltre a ciò si congiunsero con Baal-peor, E mangiarono de' sacrificii de' morti;
28Dan weer koppelden ze zich aan Báal-Peor, En aten de offers van levenloze wezens;
29E dispettarono Iddio co' lor fatti, Onde la piaga si avventò a loro.
29Ze tergden Hem door hun gedrag, Zodat er een slachting onder hen woedde.
30Ma Finees si feve avanti, e fece giudicio; E la piaga fu arrestata.
30Toen trad Pinechas op, om de misdaad te wreken, En de slachting hield op;
31E ciò gli fu reputato per giustizia, Per ogni età, in perpetuo.
31Het werd hem tot verdienste gerekend, Van geslacht tot geslacht voor altijd.
32Provocarono ancora il Signore ad ira presso alla acque di Meriba, Ed avvenne del male a Mosè per loro.
32Ook bij de wateren van Meriba hebben ze Hem getergd, En ging het Moses om hunnentwil slecht:
33Perciocchè inasprirono il suo spirito; Onde egli parlò disavvedutamente colle sue labbra.
33Want ze hadden zijn stemming verbitterd, Zodat hem onbezonnen woorden ontsnapten.
34Essi non distrussero i popoli, Che il Signore aveva lor detto;
34Ook verdelgden ze de volkeren niet, Zoals Jahweh het hun had bevolen;
35Anzi si mescolarono fra le genti, Ed impararono le loro opere;
35Maar ze vermengden zich met de heidenen, En leerden hun gewoonten aan:
36E servirono a' loro idoli, E quelli furono loro per laccio;
36Ze vereerden hun beelden, en die werden hun strik;
37E sacrificarono i lor figluoli. E le lor figliuole a' demoni;
37Ze brachten hun zonen en dochters aan de goden ten offer;
38E sparsero il sangue innocente, Il sangue de' lor figliuoli e delle lor figliuole, I quali sacrificarono agl'idoli di Canaan; E il paese fu contaminato di sangue.
38Ze gingen onschuldig bloed vergieten, Het bloed van hun zonen en dochters; Ze offerden het aan de beelden van Kanaän, En het land werd door hun bloedschuld ontwijd.
39Ed essi si contaminarono per le loro opere, E fornicarono per li lor fatti.
39Zo bezoedelden ze zich door eigen maaksels, En dreven overspel met het werk hunner handen!
40Onde l'ira del Signore si accese contro al suo popolo, Ed egli abbominò la sua eredità;
40Toen werd Jahweh vergramd op zijn volk, En zijn erfdeel begon Hem te walgen:
41E li diede in man delle genti; E quelli che li odiavano signoreggiarono sopra loro.
41Hij leverde ze aan de heidenen uit, En hun haters werden hun meesters;
42E i lor nemici li oppressarono; Ed essi furono abbassati sotto alla lor mano.
42Ze werden verdrukt door hun vijand, Moesten bukken onder hun macht.
43Egli li riscosse molte volte; Ma essi lo dispettarono co' lor consigli, Onde furono abbattuti per la loro iniquità.
43En al bracht Hij hun telkens verlossing, Ze bleven in hun opstand volharden! Maar werden ze door hun misdaad vermorzeld,
44E pure egli ha riguardato, quando sono stati in distretta; Quando ha udito il lor grido;
44Dan zag Hij neer op hun nood, zodra Hij hun smeken vernam;
45E si è ricordato inverso loro del suo patto, E si è pentito, secondo la grandezza delle sue benignità.
45Dan was Hij voor hen zijn verbond weer indachtig, Had deernis met hen naar zijn grote ontferming;
46Ed ha renduti loro pietosi Tutti quelli che li avevano menati in cattività.
46Dan liet Hij hen genade vinden, Bij die hen hadden weggevoerd.
47Salvaci, o Signore Iddio nostro, E raccoglici d'infra le genti; Acciocchè celebriamo il Nome della tua santità, E ci gloriamo nella tua lode.
47Ach, red ons Jahweh, onze God, En breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen!
48Benedetto sia il Signore Iddio d'Israele di secolo in secolo. Or dica tutto il popolo: Amen. Alleluia.
48Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.