Salmi 144
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1BENEDETTO sia il Signore, mia Rocca, Il quale ammaestra le mie mani alla battaglia, E le mie dita alla guerra.
1Van David. Geprezen zij Jahweh, Mijn Rots; Die mijn handen leert strijden, En mijn vingers leert kampen.
2Egli è la mia benignità e la mia fortezza; Il mio alto ricetto ed il mio liberatore; Egli è il mio scudo, ed io mi confido in lui; Egli è quello che abbatte i popoli sotto me.
2Mijn sterkte en burcht, Mijn schuilplaats en toevlucht, Mijn schild, waarop ik vertrouw: Die de volkeren aan mij onderwerpt.
3O Signore, che cosa è l'uomo, che tu ne abbi cura? Che cosa è il figliuol dell'uomo, che tu ne faccia conto?
3Jahweh, wat is de mens, dat Gij acht op hem slaat; Een mensenkind, dat Gij om hem U bekommert?
4L'uomo è simile a vanità; I suoi giorni son come l'ombra che passa.
4De mens lijkt enkel een zucht, Zijn dagen een vluchtige schaduw.
5Signore, abbassa i tuoi cieli, e scendi; Tocca i monti, e fa' che fumino.
5Jahweh, buig uw hemel omlaag, en daal neer, Raak de bergen aan, en ze roken;
6Vibra il folgore, e dissipa quella gente; Avventa le tua saette, e mettili in rotta.
6Slinger uw bliksems, en strooi ze in het rond, Schiet uw pijlen, en jaag ze uiteen.
7Stendi le tue mani da alto, E riscuotimi, e trammi fuor di grandi acque, Di man degli stranieri;
7Reik mij uw hand uit den hoge, En verlos mij uit de macht der barbaren,
8La cui bocca parla menzogna; E la cui destra è destra di frode.
8Wier mond alleen maar leugentaal spreekt, En wier rechter een hand van bedrog is.
9O Dio, io ti canterò un nuovo cantico; Io ti salmeggerò in sul saltero ed in sul decacordo.
9Dan zal ik een nieuw lied voor U zingen, o God, Op de tiensnarige harp voor U spelen:
10Tu , che dài vittoria ai re; Che riscuoti Davide, tuo servitore, dalla spada scellerata;
10Voor U, die aan koningen de zege verleent, Die redding brengt aan David, uw dienaar.
11Liberami, e riscuotimi dalla mano degli stranieri. La cui bocca parla menzogna, E la cui destra è destra di frode.
11Ja, Hij hééft mij gered van het moordende zwaard, Mij verlost uit de macht der barbaren, Wier mond alleen maar leugentaal spreekt, En wier rechter een hand van bedrog is.
12Acciocchè i nostri figliuoli sieno come piante novelle, Bene allevate nella lor giovanezza; E le nostre figliuole sieno come i cantoni intagliati Dell'edificio d'un palazzo;
12Nu zijn onze zonen als planten, Zorgvuldig gekweekt in hun jeugd; Onze dochters als zuilen, Voor de bouw van paleizen gehouwen.
13E le nostre celle sieno piene, E porgano ogni specie di beni ; E le nostre gregge moltiplichino a migliaia, e a diecine di migliaia, Nelle nostre campagne;
13Onze schuren gevuld, Boordevol van allerlei vrucht; Onze schapen bij duizenden werpend,
14E i nostri buoi sieno grossi e possenti; E non vi sia per le nostre piazze nè assalto, Nè uscita, nè grido alcuno.
14De runderen in onze weiden bij tienduizenden drachtig. Geen bres en geen stormloop, Op onze pleinen geen kermen:
15Beato il popolo che è in tale stato; Beato il popolo, di cui il Signore è l'Iddio.
15Gelukkig het volk, wat zo’n lot is beschoren; Gelukkig het volk, waarvan Jahweh de God is!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.