Psalmen
Chapter 116
Lutherbibel 1912
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psalmen 116

Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Das ist mir lieb, daß der HERR meine Stimme und mein Flehen hört.
1Halleluja! Ik heb Jahweh lief, Want Hij hoort naar mijn smeken!
2Denn er neigte sein Ohr zu mir; darum will ich mein Leben lang ihn anrufen.
2Hij luisterde naar mij, toen ik riep
3Stricke des Todes hatten mich umfangen, und Ängste der Hölle hatten mich getroffen; ich kam in Jammer und Not.
3En de strikken des doods mij omknelden; Toen doodsangst mij kwelde, Nood en jammer mij troffen.
4Aber ich rief an den Namen des HERRN: O HERR, errette mein Seele!
4Ik riep de Naam van Jahweh aan: “Ach, Jahweh, spaar toch mijn leven!”
5Der HERR ist gnädig und gerecht, und unser Gott ist barmherzig.
5En Jahweh was genadig en trouw, Onze God vol ontferming:
6Der HERR behütet die Einfältigen; wenn ich unterliege, so hilft er mir.
6Jahweh waakt over de zwakken; Ik was uitgeput, maar Jahweh heeft mij gered!
7Sei nun wieder zufrieden, meine Seele; denn der HERR tut dir Gutes.
7Wees dan gelaten, mijn ziel; Want Jahweh blijft voor u zorgen:
8Denn du hast meine Seele aus dem Tode gerissen, meine Augen von den Tränen, meinen Fuß vom Gleiten.
8Hij heeft mij gered van de dood, Mijn ogen van tranen, mijn voeten van stoten;
9Ich werde wandeln vor dem HERRN im Lande der Lebendigen.
9Nog mag ik voor Jahweh’s aanschijn wandelen In de landen der levenden!
10Ich glaube, darum rede ich; ich werde aber sehr geplagt.
10Ik blijf dus vertrouwen, al roep ik ook uit: “Ik ben diep ongelukkig!”
11Ich sprach in meinem Zagen: Alle Menschen sind Lügner.
11Al zou ik in mijn ellende ook zeggen: “Er is geen mens te vertrouwen!”
12Wie soll ich dem HERRN vergelten alle seine Wohltat, die er an mir tut?
12Hoe zal ik Jahweh kunnen vergelden Al het goede, dat Hij mij deed?
13Ich will den Kelch des Heils nehmen und des HERRN Namen predigen.
13De kelk der redding hef ik omhoog, En roep de Naam van Jahweh aan;
14Ich will mein Gelübde dem HERRN bezahlen vor allem seinem Volk.
14Ik zal mijn gelofte aan Jahweh volbrengen Ten overstaan van heel het volk:
15Der Tod seiner Heiligen ist wertgehalten vor dem HERRN.
15Want te duur was in de ogen van Jahweh De dood zijner vromen.
16O HERR, ich bin dein Knecht; ich bin dein Knecht, deiner Magd Sohn. Du hast meine Bande zerrissen.
16Ach Jahweh, ik ben maar uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd, Toch hebt Gij mijn boeien verbroken:
17Dir will ich Dank opfern und des HERRN Namen predigen.
17Ik breng U dan een offer van dank, En roep de Naam van Jahweh aan,
18Ich will meine Gelübde dem HERRN bezahlen vor allem seinem Volk,
18-
19in den Höfen am Hause des HERRN, in dir Jerusalem. Halleluja!
19In de voorhoven van Jahweh’s huis, Binnen uw muren, Jerusalem!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.