Psalmen 61
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ein Psalm Davids, vorzusingen, auf Saitenspiel. Höre, Gott, mein Schreien und merke auf mein Gebet!
1Voor muziekbegeleiding; met harpen. Van David. Hoor toch, o God, mijn gejammer, En let op mijn smeken:
2Hienieden auf Erden rufe ich zu dir, wenn mein Herz in Angst ist, du wollest mich führen auf einen hohen Felsen.
2Van het einde der aarde roep ik tot U In de beklemmende angst van mijn hart. Stel mij hoog op de Rots, en laat mij daar rusten,
3Denn du bist meine Zuversicht, ein starker Turm vor meinen Feinden.
3Want Gij zijt mijn toevlucht en sterkte tegen den vijand;
4Laß mich wohnen in deiner Hütte ewiglich und Zuflucht haben unter deinen Fittichen. (Sela.)
4Laat mij in uw woontent voor eeuwig uw gast zijn, En mij verbergen in de schaduw uwer vleugelen.
5Denn du, Gott, hörst mein Gelübde; du belohnst die wohl, die deinen Namen fürchten.
5Want Gij hoort mijn beloften, o mijn God, En vervult de wens van hen, die uw Naam vrezen:
6Du wollest dem König langes Leben geben, daß seine Jahre währen immer für und für,
6Vermeerder de dagen des konings, En zijn jaren van geslacht tot geslacht;
7daß er immer bleibe vor Gott. Erzeige ihm Güte und Treue, die ihn behüten.
7Moge hij altijd voor Gods aangezicht tronen, En liefde en trouw hem behoeden.
8So will ich deinem Namen lobsingen ewiglich, daß ich meine Gelübde bezahle täglich.
8Dan zal ik uw Naam in eeuwigheid prijzen, Dag aan dag U mijn dankoffer brengen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.