Psalmen 147
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Lobet den HERRN! denn unsern Gott loben, das ist ein köstlich Ding; solch Lob ist lieblich und schön.
1Halleluja! Looft Jahweh: want het is goed, Hem te prijzen, Onzen God: want het is lieflijk en schoon, Hem te roemen!
2Der HERR baut Jerusalem und bringt zusammen die Verjagten Israels.
2Jahweh bouwt Jerusalem weer op, En brengt de verstrooiden van Israël bijeen.
3Er heilt, die zerbrochnes Herzens sind, und verbindet ihre Schmerzen.
3Hij is het, die de gebroken harten geneest, En hun wonden verbindt;
4Er zählt die Sterne und nennt sie alle mit Namen.
4Die het getal van de sterren bepaalt, En ze allen roept bij haar naam.
5Der HERR ist groß und von großer Kraft; und ist unbegreiflich, wie er regiert.
5Groot is onze Heer, geweldig zijn macht, Zijn wijsheid oneindig;
6Der Herr richtet auf die Elenden und stößt die Gottlosen zu Boden.
6Jahweh richt de nederigen op, Maar de bozen werpt Hij ter aarde.
7Singet umeinander dem HERRN mit Dank und lobet unsern Gott mit Harfen,
7Heft Jahweh een jubelzang aan Speelt op de citer voor onzen God:
8der den Himmel mit Wolken verdeckt und gibt Regen auf Erden; der Gras auf Bergen wachsen läßt;
8Die de hemel met wolken bedekt, En de regen bereidt voor de aarde. Die op de bergen gras doet ontspruiten, En groen voor de beesten, die den mens moeten dienen;
9der dem Vieh sein Futter gibt, den jungen Raben, die ihn anrufen.
9Die aan het vee zijn voedsel geeft, En aan de jonge raven, die er om roepen.
10Er hat nicht Lust an der Stärke des Rosses noch Gefallen an eines Mannes Schenkeln.
10Hij vindt geen vreugde in de sterkte der paarden, Hem verheugen geen krachtige schenkels;
11Der HERR hat Gefallen an denen, die ihn fürchten, die auf seine Güte hoffen.
11Maar Jahweh heeft behagen in hen, die Hem vrezen, En die smachten naar zijn genade!
12Preise, Jerusalem, den HERRN; lobe Zion, deinen Gott!
12Breng Jahweh lof, Jerusalem; Sion, loof uw God!
13Denn er macht fest die Riegel deiner Tore und segnet deine Kinder drinnen.
13Want Hij heeft de grendels van uw poorten versterkt, Uw zonen binnen uw muren gezegend,
14Er schafft deinen Grenzen Frieden und sättigt dich mit dem besten Weizen.
14De vrede aan uw grenzen geschonken, U met de bloem der tarwe verzadigd.
15Er sendet seine Rede auf Erden; sein Wort läuft schnell.
15Hij is het, die de aarde zijn bevelen stuurt, En haastig rept zich zijn woord:
16Er gibt Schnee wie Wolle, er streut Reif wie Asche.
16Die sneeuw als wolvlokken zendt, Zijn ijzel rondstrooit als as.
17Er wirft seine Schloßen wie Bissen; wer kann bleiben vor seinem Frost?
17Hij werpt zijn hagel bij brokken, En voor zijn koude stollen de wateren;
18Er spricht, so zerschmilzt es; er läßt seinen Wind wehen, so taut es auf.
18Maar Hij stuurt zijn bevel, en ze smelten: Zijn winden waaien, weer stromen de wateren.
19Er zeigt Jakob sein Wort, Israel seine Sitten und Rechte.
19Hij maakte Jakob zijn geboden bekend, Israël zijn bevelen en wetten:
20So tut er keinen Heiden, noch läßt er sie wissen seine Rechte. Halleluja!
20Zo deed Hij voor geen ander volk, Nooit heeft Hij hùn zijn wetten geleerd! Halleluja!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.