Psalms 88
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1(88-1) A Song, a Psalm of the sons of Korah; for the Leader; upon Mahalath Leannoth. Maschil of Heman the Ezrahite. (88-2) O LORD, God of my salvation, what time I cry in the night before Thee,
1Een lied; een psalm van de zonen van Kore. Voor muziekbegeleiding; met de fluit. Een klaag- en leerdicht van Heman, den Ezrachiet. Jahweh, mijn God, overdag roep ik om hulp, En schrei des nachts voor uw aanschijn.
2(88-3) Let my prayer come before Thee, incline Thine ear unto my cry.
2Laat mijn gebed voor uw aangezicht dringen; Luister toch naar mijn klagen.
3(88-4) For my soul is sated with troubles, and my life draweth nigh unto the grave.
3Want mijn ziel is zat van ellende, Mijn leven het rijk der doden nabij;
4(88-5) I am counted with them that go down into the pit; I am become as a man that hath no help;
4Men telt mij bij hen, die ten grave dalen, Ik ben als een man, aan het eind van zijn kracht.
5(88-6) Set apart among the dead, like the slain that lie in the grave, whom Thou rememberest no more; and they are cut off from Thy hand.
5Ik ben als de doden verstoten, Als lijken, die in het graf zijn gelegd: Aan wie Gij niet langer meer denkt, En die aan uw hand zijn onttrokken.
6(88-7) Thou hast laid me in the nethermost pit, in dark places, in the deeps.
6Gij hebt mij in de diepe grafkuil gestort, In duisternis en in de schaduw des doods;
7(88-8) Thy wrath lieth hard upon me, and all Thy waves Thou pressest down. Selah
7Uw toorn drukt zwaar op mij neer, Al uw golven slaan over mij heen.
8(88-9) Thou hast put mine acquaintance far from me; Thou hast made me an abomination unto them; I am shut up, and I cannot come forth.
8Gij hebt mijn vrienden van mij vervreemd, En ze van mij laten walgen; Ik zit in de knel, en kan er niet uit,
9(88-10) Mine eye languisheth by reason of affliction; I have called upon Thee, O LORD, every day, I have spread forth my hands unto Thee.
9Mijn oog versmacht van ellende. De ganse dag, Jahweh, roep ik U aan, En strek mijn handen naar U uit:
10(88-11) Wilt Thou work wonders for the dead? Or shall the shades arise and give Thee thanks? Selah
10Of doet Gij aan de doden nog wonderen, Staan de schimmen soms op, om U te loven?
11(88-12) Shall Thy mercy be declared in the grave? or Thy faithfulness in destruction?
11Zal men in het graf van uw goedheid gewagen, Van uw trouw in de afgrond;
12(88-13) Shall Thy wonders be known in the dark? and Thy righteousness in the land of forgetfulness?
12Zal men in de duisternis uw wondermacht kennen, Uw gerechtigheid in het land van vergeten?
13(88-14) But as for me, unto Thee, O LORD, do I cry, and in the morning doth my prayer come to meet Thee.
13Daarom, Jahweh, roep ik U aan, Treedt iedere morgen mijn bede U tegen.
14(88-15) LORD, why castest Thou off my soul? Why hidest Thou Thy face from me?
14Waarom zoudt Gij mij dan verstoten, o Jahweh, En mij uw aanschijn verbergen?
15(88-16) I am afflicted and at the point of death from my youth up; I have borne Thy terrors, I am distracted.
15Van jongsaf ben ik in ellende en zorgen gedompeld, Ik ben radeloos onder de last van uw plagen;
16(88-17) Thy fierce wrath is gone over me; Thy terrors have cut me off.
16Uw gramschap slaat over mij heen, Uw verschrikkingen overstelpen mij.
17(88-18) They came round about me like water all the day; they compassed me about together.
17Als water omringen ze mij iedere dag, En sluiten mij helemaal in;
18(88-19) Friend and companion hast Thou put far from me, and mine acquaintance into darkness.
18Gij hebt vrienden en makkers van mij vervreemd, En mijn bekenden door mijn ellende.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.